We worden dubbel ‘gepakt’: door de zon en door de wind!
Metingen laten zien dat de hoeveelheid zoninstraling aan het aardoppervlak in Nederland en grote delen van Europa de afgelopen decennia sterk is toegenomen. Minder bewolking en veranderingen in luchtcirculatie lijken daarbij een belangrijke rol te spelen.
Onlangs werd ik door een collega geattendeerd op een Duitse publicatie getiteld “An overview of surface solar radiation data products at the German meteorological service”. Dat artikel ging vooral over de bruikbaarheid van satellietdata voor wat betreft instraling aan het oppervlak (SSR) in Duitsland. Interessant was met name onderstaande grafiek, die voor de periode 1995-2020 onder andere de trends weergeeft van de SSR in Duitsland.
Fig.1 Bron: Pfeifroth et al 2026
De lineaire trend voor de gegeven periode in figuur 1 is 4W/m2 per decade. Het toeval wilde dat ik net de instralingsdata van 2025 in De Bilt had gedownload. Trouwe lezers weten inmiddels al dat ik met regelmaat over die instraling schrijf, die vanaf ongeveer 1980 spectaculair gestegen is. Dat geldt overigens voor een groot deel van Europa, zie onder andere hier en hier.
Nu moet je voor wat betreft satellietmetingen aan het aardoppervlak altijd voorzichtig zijn, want die zijn van een andere aard dan de directe instrumentmetingen aan het aardoppervlak. Die instrumentmetingen zijn accuraat, maar gelden slechts voor het gebruikte meetpunt. Om die beperking te ondervangen gebruiken de auteurs satellietdata. Ze schrijven: “The weaknesses in accuracy (van de satellietdata) are balanced by its good spatial coverage”. Hoe dat ‘evenwicht’ tussen zwakke nauwkeurigheid en goede ruimtelijke dekking wordt berekend wordt niet duidelijk.
Fig.2 Data: KNMI
De grafiek van figuur 2 toont de gemiddelde instraling per jaar van 1958-2025 op station De Bilt. De lineaire trend van 1958 t/m 1989 is 0 W/m2, die van 2000 t/m 2025 is 15,6 W/m2. Die enorm sterke toename van de instraling in de afgelopen decennia kan niet anders dan geleid hebben dan tot een sterke toename van de temperatuur.
De sterke toename van de instraling van kortgolvige straling aan het aardoppervlak kan niet het gevolg zijn van de aan het TOA binnenvallende zonnestraling. Die straling is, op een klein hobbeltje na als gevolg van de 11-jarige cyclus, van jaar tot jaar nagenoeg constant. Die hobbeltjes vinden bovendien plaats in het ultraviolette deel van het spectrum, dat in de stratosfeer geabsorbeerd wordt.
Fig.3 Data: KNMI
Minder absorptie in de troposfeer betekent minder opaciteit (ondoorzichtigheid), en dat kan het gevolg zijn van minder aerosolen en wolken. Het aantal zonuren per jaar is een goede proxy voor die opaciteit. Figuur 3 laat zien dat het aantal zonuren in De Bilt de afgelopen decennia is toegenomen.
Fig.4 Bron: ECMWF rapport 2024
Dat was niet alleen het geval in De Bilt, maar ook in grote delen van Europa. Figuur 4 laat zien dat de toename van het aantal zonuren in Europa eind jaren ’80 begon.
Fig.5 Data: KNMI
De grafiek van figuur 5 laat zien dat het aantal zonuren (SQ) in De Bilt bijna perfect de instraling stuurt. De correlatiecoëfficiënt is erg hoog: R2 = 0.9 . Dat betekent dat de variantie van Q voor 90% verklaard kan worden door SQ. Dat effect kennen we natuurlijk allemaal, als die wolk voor de zon wegschuift en je in het zonnetje komt te zitten.
Fig.6 Data: KNMI
De grafiek van figuur 6 laat zien dat van een stijging van de temperatuur in De Bilt van 1901 tot eind jaren ’80 nauwelijks sprake was. Zoals we in figuur 5 zagen valt die sterke stijging van de temperatuur vanaf eind jaren ’80 vrijwel naadloos samen met de stijging van het aantal zonuren. Maar hoe verklaar je de sterke toename van het aantal zonuren de afgelopen decennia?
In de eerste plaats beïnvloeden aerosolen de instraling aan het aardoppervlak. Met name aerosolen ontstaan uit SO2 speelden een belangrijke rol. De correlatie tussen de concentratie van SO₂ (zwaveldioxide) in de atmosfeer en het ontstaan van aerosolen is sterk: hoe meer SO2 des te meer sulfaat-aerosolen. De bronnen zijn vooral raffinaderijen, elektriciteitscentrales en verkeer.
Fig. 7 Bron: RIVM
Ongetwijfeld zal de afname van aerosolen in Nederland en West Europa vanaf 1980 bij hebben gedragen aan de toename van de gemeten instraling. Figuur 7 toont die afname sinds 1980 van SO2 in Nederland als gevolg van allerlei maatregelen. De jaargemiddelde SO2-concentraties op regionale achtergrondstations daalden over de afgelopen dertig jaar van 5-15 µg/m3 (met uitschieters naar 30 µg/m3) naar gemiddeld 0,5 µg/m3: de concentraties SO2 op regionale stations zijn sinds 1980 met een factor dertig tot zestig gedaald. Daardoor is in de laatste twee decennia de concentratie SO2 dermate laag dat die waarschijnlijk geen rol van betekenis meer speelt bij aerosolvorming en dus ook niet bij de toegenomen instraling.
Fig.8 Bron: Javier Vinós 2023
Overigens spelen aerosolen überhaupt een kleine rol in de totale albedo (SW reflectie) van 29% in totaal, zoals figuur 8 laat zien. Slechts 1% (3,4 W/m2) van die 29% (98,6 W/m2) is afkomstig van aerosolen. Dat geldt niet voor wolken, die bijna de helft (13%, 44,2 W/m2) van de totale reflectie voor hun rekening nemen en daardoor een belangrijker factor vormen dan aerosolen.
Fig.9 Data: KNMI
De grafiek van figuur 9 toont de gemiddelde jaarlijkse bewolkingsbedekking op basis van etmaaldata. Er zijn twee breuken te zien, namelijk 2002-2003 en 2015-2017. De eerste breuk was het gevolg van de overstap van visuele naar automatische waarnemingen. De tweede breuk rond 2015–2016 in De Bilt komt vrijwel zeker door de vervanging van de ceilometer (wolkenhoogtemeter) in het meetnet van het KNMI. Die breuken zijn niet gecorrigeerd, daarom is deze tijdreeks ongeschikt om uitspraken te doen over veranderingen in wolkbedekking.
Ik heb op deze plaats al eerder geschreven over de zogenaamde CERES data, afkomstig van satellieten. Die satellieten meten de straling die de atmosfeer (TOA) binnenkomt en verlaat. In 2024 schreef ik een artikel over de inkomende en uitgaande straling aan de TOA. De CERES satellieten meten daar de inkomende (kortgolvige) zonnestraling , de uitgaande (gereflecteerde) kortgolvige straling en de uitgaande langgolvige straling.
Ik keek of de CERES data een afname van bewolking bevestigden. Een van de CERES producten betreft de zogenaamde cloud area, dat deel van de hemel dat bedekt is met wolken. Een andere product is de Cloud Radiative Effect (CRE) — het netto-effect van bewolking op kortgolvige (zonlicht) en langgolvige (infrarood) straling. In dit geval is vooral de reflectie van kortgolvige straling van belang. Behalve globale cijfers zijn van CERES ook de data van oppervlaktes van 1°-1° beschikbaar. Dat geldt ook voor de gridcel waar De Bilt in ligt.
Fig.10 Data: CERES
Figuur 10 toont de 12 maands voortschrijdend gemiddelde wolkbedekking. De schommelingen zijn soms groot, zoals in 2002-2003 en 2023-2024. De lineaire trend van -3,1% over de gehele periode van maart 2000 t/m juni 2024 toont een forse afname van de wolkbedekking. Die afname van wolkbedekking moet terug te vinden zijn in de afname van kortgolvige albedo.
Figuur 11 Data: CERES
Figuur 11 toont de 12 maands voortschrijdend gemiddelde reflectie van kortgolvige straling aan de bovenzijde van de bewolking. De lineaire trend is bijna -2 W/m2 over de gehele periode. Pas op: omdat de SW Cloud Radiative Effect (CRE) gericht is op de ruimte wordt die met een minteken geschreven. De afnemende SW straling naar de ruimte bevestigt de afname van bewolking op station De Bilt vanaf maart 2000 tot 2024.
Fig.12 Bron: Hoogeveen en Hoogeveen 2021
Tot slot: de grafieken van figuur 12 zijn afkomstig uit de publicatie van vader en zoon Hoogeveen in 2021 met de veelzeggende titel “Winds are changing: an explanation for the warming of the Netherlands” . Aan de hand van een door zoon Jippe geconstrueerd luchtcirculatiesysteem werd vanuit de brongebieden van ons land binnenstromende luchtmassa’s en de gevolgde stroomtrajecten vanaf 1836(!) aangetoond dat de recente opwarming van ons land vooral het gevolg was van de binnenstromende luchtsoorten. Die laten vanaf ongeveer 1980 (paarse verticale lijn) een scherpe trendbreuk zien, een verschuiving in de luchtcirculatiepatronen.
Met behulp van een statistische test zagen de auteurs onder andere dat er in de jaren ’80 van de vorige eeuw een forse verschuiving (shift) heeft plaatsgevonden in die weerpatronen, die heeft geresulteerd in een aanzienlijke toename van de luchtaanvoer uit andere (warmere) richtingen. Dat zou wel eens een belangrijke verklaring kunnen zijn voor de recente afname van de bewolking en daardoor de toename van de instraling in Nederland en West Europa. We worden dubbel ‘gepakt’: door de zon en door de wind!
In de analyse van Hoogeveen en Hoogeveen speelde CO2 in die opwarming geen rol van betekenis. Dat verbaast me niet.
meer nieuws
De Britse elektriciteitscrisis: hoe Net Zero het energiesysteem ontwricht
In deze scherpe analyse legt econoom Tilak Doshi uit waarom de Britse elektriciteitscrisis niet het gevolg is van het falen van de markt, maar van de structurele gevolgen van Net Zero-beleid.
“Meer realisme over zeespiegelstijging nodig bij ontwerp kust-infrastructuur”
Recent onderzoek wijst uit dat zeespiegel-prognoses (aanzienlijk) hoger uitvallen dan de waarnemingen tot nu toe. Dit betekent dat ontwerpen van kust-infrastructuur in het algemeen overgedimensioneerd zijn en dus niet kostenefficiënt.
Duitse gascrisis escaleert: voorraden midden in de winter vrijwel leeg
Duitsland stevent af op een ernstige gascrisis nu de gasvoorraden midden in de winter snel slinken en sommige opslaglocaties vrijwel leeg zijn. Voor huishoudens is de levering voorlopig nog gegarandeerd, maar de risico’s voor de industrie nemen toe, terwijl de overheid zich grotendeels in stilzwijgen hult.


















