Correcte KNMI-correcties? Misschien zijn die zeven ‘teruggevonden’ hittegolven toch aan de zuinige kant

De recente homogenisatie 2.0 van de KNMI-hoofdstations bracht zeven eerder verdwenen hittegolven terug in de statistieken. Maar een nadere analyse roept de vraag op of deze correctie wel volledig recht doet aan de oorspronkelijke meetgegevens.

Foto: Shutterstock

Rob de Vos

Datum: 23 februari 2026

DEEL:

De afgelopen dagen was de nieuwe homogenisatie van de vijf KNNMI hoofdstations opvallend nieuws. Voor een beknopte uitleg zie hier. In figuur 1 zijn de stations weergegeven, in zwart de oude locaties, in rood de nieuwe. Omdat de verplaatsingen van station De Bilt (1950/1951) over korte afstand plaats vonden (op het terrein van het KNMI) is alleen de rode stip zichtbaar.

Figuur 1. Bron: De Valk + Brandsma (2023)

Een aantal mensen  benaderde me met de vraag of ik tevreden was met het feit dat na de homogenisatie 2.0 van eind januari van de 16 in 2016 verdwenen hittegolven er nu weer 7 terug zijn. Ik was zeker blij met de stap die het KNMI gemaakt heeft, maar ik kon van die teruggewonnen 7 hittegolven niet zeggen of dat correct was. Daarom dook ik nogmaals in de materie.

De tabel van figuur 2 toont voor de vier hoekstations de operationele periodes en de periodes van overlap. Verplaatsing van een meetstation heeft altijd invloed op de metingen, net zoals het wisselen van instrumentarium of de meethut. Formeel eindigt dan de oude reeks en begint een nieuwe, maar organisaties als het KNMI willen graag lange meetreeksen, en daarom ‘plakt’ men vaak de nieuwe aan de oude meetreeks.

Om de oude en de nieuwe meetreeks ‘netjes’ in elkaar over te laten lopen homogeniseert men dan de data van de oude metingen. Bij verplaatsing van de hoekstations betekende dit dat er gedurende een aantal jaren op beide locaties gemeten werd (parallelle metingen), zodat de afwijkingen bekend werden. Daarna werden met behulp van een statistische techniek, de kwantiel-techniek, de gegevens van de oude locatie aangepast aan die van de nieuwe locatie. In plaats van één vaste correctie toe te passen op alle waarden, vergelijkt de kwantiel-techniek de volledige verdeling van temperaturen vóór en na een breuk. Meestal worden de data vóór de breuk aangepast.

Figuur 2. Bron: De Valk + Brandsma (2023)

Voor De Bilt was het probleem dat er door omstandigheden geen parallelle metingen voorhanden waren. Bij de homogenisatie van 2016 werd daarom gebruik gemaakt van de data van station Eelde om de kwantiel-techniek toe te passen. Zie het Nederlandstalige rapport (2019).

Vergeleken met versie de ‘oude’ homogenisatie1.0 uit 2016 zijn in de nieuwe homogenisatie van 2026 de belangrijkste methodologische veranderingen:

  • Voor de vier hoekstations – De Kooy, Eelde, Vlissingen en Beek/Maastricht Airport – worden behalve de aangepaste kwantiel-techniek nu ook aanvullende weersvariabelen gebruikt, zoals windsnelheid en -richting, luchtvochtigheid, zeetemperatuur en bewolkingsgraad.  Dat heet ‘Generalized Additive Modelling (GAM)’.
  • Voor De Bilt gebruikt men uitsluitend de aangepaste kwantiel-techniek met nu als referentie niet alleen Eelde maar ook station Maastricht (Beek). Bovendien  is de referentieperiode verlengd tot 2×15 jaar.

Figuur 3. Data: KNMI

In de grafiek van figuur 3 is de lengte van de meetreeks van elk van de vijf stations weergegeven, alsmede de periode waarover gehomogeniseerd is (roze gekleurd).

Ik wilde weten hoe die nieuwe homogenisatie 2.0 van 2026 uitpakt voor de warmere dagen, want daar werd in de eerste homogenisatie op station De Bilt met name op gecorrigeerd. Juist op die zomerse warmere dagen vond in 2016 de overcorrectie van De Bilt plaats.

Figuur 4. Data: KNMI

De grafiek van figuur 4 laat voor de vijf stations het verloop van de zomer-Tx zien op basis van de gemeten data (loess smoothing). Opvallend zijn op alle stations de daling van Tx in de jaren ‘50 en de sterke stijging vanaf 1980. De trendlijnen lijken sterk op elkaar, wat niet vreemd is gezien de kleine onderlinge afstand tussen de stations. De grafiek van De Kooy heeft over de hele periode een lagere Tx dan de andere stations, waarschijnlijk het gevolg van een combinatie van hogere breedteligging en de nabijheid van water aan drie zijden.

In een artikel op de website van Maurice de Hond gebruikte Hans Verwaard vorig jaar en

aardige methode om te zien of de homogenisatie 1.0 van De Bilt uit 2016 niet heeft geleid tot overcorrectie. Hij nam en passant ook de vier andere gehomogeniseerde stations mee. Hij splitste de meetreeksen van de vijf stations in twee periodes (1906-1951 en 1952-2024) en keek  of na de homogenisatie 1.0 de verhouding van warme dagen in periode 1  en periode 2 (gecorrigeerd voor het verschil in lengte tussen beide periodes) bij alle vijf stations vergelijkbaar was. De Bilt viel onmiddellijk door de mand vanwege duidelijke overcorrectie. In figuur 5 heb ik de beide grafieken uit het artikel van Verwaard tot één grafiek samengevoegd:

Figuur 5. Bron: Verwaard

De niet gehomogeniseerde meetgegevens van De Bilt (oorsp) laten een quotiënt van net iets boven 1 zien. Dat betekent dat de verhouding van warme dagen vóór en na 1950 (gecorrigeerd voor het verschil in lengte tussen beide periodes) ongeveer gelijk was. Als je dat vergelijkt met de andere stations is duidelijk dat in de periode 1901-1951 het aantal warme dagen in De Bilt wellicht wat te hoog was. Dat blijkt ook uit het verschil in figuur 4 tussen Tx van De Bilt – Eelde vóór 1951 en erná.

Enige correctie van de data van De Bilt tot 1951 was dus wellicht nodig. Dat gebeurde in 2016 met de homogenisatie 1.0.  Maar die correctie (De Bilt (hom) in figuur 5) schoot veel te ver door. Vergelijk in figuur 5 beide grafieken van De Bilt eens met de grafiek van Eelde, het referentiestation voor De Bilt.

Ik vroeg met af hoe die quotiëntgrafieken er uit zouden zien na de homogenisatie 2.0 van januari 2026? Ik paste bovenstaande quotiëntmethode toe op de nieuwe data en bekeek de warme dagen met een Tx van minimaal:

*  ≥ 25 °C  (zomerse dag)
*  ≥ 26 °C
*  ≥ 27 °C
*  ≥ 28 °C
*  ≥ 29 °C
*  ≥ 30 °C (tropische dag)

Figuur 3 laat zien dat alleen Eelde en Maastricht een gehomogeniseerde periode van gelijke lengte hebben. De Bilt reeks begint al in 1901 en het gehomogeniseerde deel eindigt vrijwel gelijk met Maastricht en Eelde. De start- en einddatum van de gehomogeniseerde periode van Vlissingen wijken sterk af van de andere stations.

Figuur 6. Bron: KNMI

In de ruwe metingen tot 1950 werden 23 hittegolven geteld, na de homogenisatie 1.0 in 2016 werd dat aantal teruggebracht tot 7 en na de homogenisatie 2.0 van 2026 zijn dat er 14 geworden.  Ik gebruik voor de vergelijking de periodes  1907 t/m 1950 en 1951-2025, zodat de verhouding voor alle stations gelijk is. Dat is noodzakelijk omdat er relatief weinig warme dagen waren in de koele periode van 1950 tot 1970  (figuur 4). Dit betekent voor De Kooy dat een deel van de gehomogeniseerde data zich in de tweede periode bevindt.

De quotiëntvergelijking  pas ik eerst toe op de gemeten (niet gehomogeniseerde)  data van de stations, vervolgens op de data van homogenisatie 1.0 en tenslotte op de data van homogenisatie 2.0. Ik berekende  het quotiënt van het gemiddelde aantal warme dagen in de oudste en jongste periode door de aantallen in de jongste periode door die van de oudste te delen. Vervolgens corrigeerde ik voor het feit dat de laatste periode langer is dan de eerste periode.

Gemeten warme dagen

Figuur 7. Data: KNMI

De grafieken in figuur 7 tonen de quotiënten van de gemeten, dus niet-gehomogeniseerde cijfers. De grafieken van Vlissingen en De Kooy steken boven de andere stations uit. Vlissingen heeft een quotiënt van ~1,5, wat betekent dat er in de periode vanaf 1951 zo’n 1,5 keer meer warme dagen gemeten zijn dan in de eerste periode (gecorrigeerd voor het verschil in lengte tussen periode 1 en 2). Vooral de hoge quotiënten in De Kooy vallen op.

Figuur 8. Bron: KNMI

Een factor die hier vrijwel zeker meespeelt is de verplaatsing in 1972 van het station Den Helder (aan zee) 5 km landinwaarts, ten ZZO van de oude locatie.

Vlissingen, gelegen nabij de Westerschelde, krijgt slechts voor korte tijd (van 1947 tot 1958 een andere locatie op het nabijgelegen vliegveld Souburg. Zie het kaartje in het recente homogenisatierapport.

Het quotiënt van De Bilt neemt een tussenpositie in, iets beneden het gemiddelde quotiënt van alle stations en tussen beide andere ‘continentale’ stations Eelde en Maastricht in.

Figuur 9. Bron: KNMI

Maastricht heeft een quotiënt dat zelfs onder de 1 ligt. Dat kan te maken hebben met de opvallende locatiewisseling in 1950. De oude meetlocatie was extreem en bevond zich op een toren boven op het dak van de HBS, in het centrum van Maastricht gelegen. De nieuwe locatie ligt ruim 8,5 km ten NO van de oude locatie, op het terrein van Maastricht Airport. Niet alleen de afstand tussen beide locaties is opvallend, ook het hoogteverschil (65m) en topografie (Maasdal versus rivierterras) zijn dat. En dan is er nog de dichtbebouwde stedelijke omgeving versus het open terrein van Maastricht Airport.

Ook de verplaatsing van Groningen naar Eelde is opvallend: 11 km naar het zuiden, en van een locatie in de dichtbebouwde binnenstad naar het vliegveld van Eelde.

Zoals ik al schreef: voor instituten als het KNMI zijn lange meetreeksen belangrijk en de manier om die te bewerkstelligen is het toepassen van correcties (homogenisaties) van een oude reeks zodat die samen met de nieuwe reeks één continue reeks vormt. Opvallend is wel het late moment van homogenisatie (2016) en de belangrijkste aanleiding, namelijk een vermeende trendbreuk bij station De Bilt. Figuur 4 laat zien dat de neerwaartse beweging van de zomer Tx vanaf ~1950 zich op alle vijf stations voordeed. Over dat laatste later wellicht meer.

Figuur 5 laat in elk geval zien dat juist De Bilt niet uit de pas loopt. Wie gedetailleerd wil lezen wat er rond station De Bilt heeft plaatsgevonden raad ik het rapport “Het Raadsel van de Verdwenen Hittegolven” uit 2019 aan, dat hier te downloaden is.

Warme dagen na homogenisatie 1.0

Figuur 10. Data: KNMI

De grafieken in figuur 10 zijn gemaakt op basis van de gehomogeniseerde data (1.0) uit 2016. Alle vijf stations tonen in figuur 7 quotiënten die hoger zijn dan 1, dat wil zeggen dat er relatief méér warme dagen geteld werden in de periode vanaf 1951 dan ervoor. Dat past bij de opwarming van Nederland vanaf ± 1980 tot heden (zie figuur 4). De meeste  stations lopen nu netjes in de maat, alleen De Bilt valt op door een hoog quotiënt van gemiddeld 2. Dat wijst op een sterke overcorrectie door de homogenisatie van De Bilt, een homogenisatie die van de 23 hittegolven tot 1950 er maar liefst 16 liet verdwijnen. Zie het hittegolfrapport.

Maastricht heeft in figuur 10 een quotiënt dat ruim boven de 1 ligt, nog steeds het laagste quotiënt maar door de homogenisatie is het quotiënt nu realistischer. Die homogenisatie van 2016 is dus voor 4 stations ‘gelukt’ maar voor De Bilt beslist niet.

Daarover brak een ‘gevecht’ uit tussen een groep klimaatsceptici dat tot 2026 zou duren. Die sterk oplopende grafiek in figuur 9 van De Bilt (van geel naar zwart) waren het gevolg van het feit dat de warmste dagen in periode 1door de homogenisatie 1.0 het sterkst werden ‘gecorrigeerd’, tot zelfs 1,8 graden op de warmste dagen.

Te sterk, blijkt als we De Bilt vergelijken met de vier hoekstations. Het gemiddelde quotiënt van de hoekstations was 1,34. Het gemiddelde quotiënt van De Bilt vóór de homogenisatie 1.0 was 1,03 en na die homogenisatie 1,88 met als uitschieter de tropische dagen (zwart) met een quotiënt van maar liefst 2,14.

Verwaard schreef vorig jaar over De Bilt: “Grofweg twee derde van de door het KNMI toegepaste verlaging van de Tmax  zou kunnen worden teruggedraaid om de gehomogeniseerde data in De Bilt weer in lijn te brengen met de data van de vier hoekstations.”  Die homogenisatie 2.0 is eindelijk eind januari werkelijkheid geworden.

Warme dagen na homogenisatie 2.0

Figuur 11. Data: KNMI

De homogenisatie 2.0 heeft voor De Bilt goed uitgepakt zoals figuur 11 laat zien: verdwenen zijn de overcorrecties uit figuur 10. Maar voor de twee hoekstations De Kooy en Eelde lijkt de tweede homogenisatie geen verbetering. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de introductie van de ‘GAM’. In homogenisatie 1.0 werd uitsluitend gebruik gemaakt van kwantiel-techniek, in homogenisatie 2.0 werd daar voor de vier hoekstations de Generalized Additive Models (GAM’s) aan toegevoegd.

GAM maakt het volgens het KNMI mogelijk om metingen van aanvullende weervariabelen te gebruiken om de nauwkeurigheid van de temperatuurschattingen voor afzonderlijke dagen te verbeteren. Die weervariabelen zijn windsnelheid en -richting, luchtvochtigheid, zeetemperatuur en bewolkingsgraad.  Daarmee worden correcties aangebracht aan Tx, Tn en Tg van de hoekstations. De keuze welke weersfactoren worden ingezet wordt per station bepaald. Dat betekent dat het GAM-model per station kan verschillen.

Dat alles maakt  de homogenisatie 2.0 complexer dan de eerste correctie op basis van uitsluitend kwantiel-techniek. De uitkomsten  voor Tx van de hoekstations zijn mijns inziens in elk geval niet beter dan bij homogenisatie uit 2016 (figuur 10) .

Maastricht loopt nog een beetje uit de pas, maar dat heeft waarschijnlijk te maken met grote veranderingen van de verhuizing naar locatie Maastricht Airport.

Figuur 12. Data: KNMI

In figuur 12 is het aantal tropische dagen per station weergegeven. De blauwe staven geven de aantallen weer vanaf 1951, de drie andere kleuren de tropische dagen vóór 1951 als meetdata en na homogenisatie 1.0 en homogenisatie 2.0. De sterke afname van het aantal tropische dagen op station Maastricht van rood naar oranje is het gevolg van de herlocatie. Die afname wordt na homogenisatie 2.0 nauwelijks gecorrigeerd.

De Bilt is een verhaal apart, zoals we al zagen. Voor De Bilt werd GAM niet toegepast in de homogenisatie.  In figuur 12 werd de foutieve sterke bijstelling van gemeten tropische dagen door homogenisatie 1.0 door de tweede homogenisatie gecorrigeerd. Dat is vooral te danken aan het feit dat in de nieuwe homogenisatie de referentie niet meer uit één station (Eelde) maar uit twee stations (Eelde en Maastricht) bestaat. Het verschil is duidelijk als we de Tx zomer van de stations met elkaar vergelijken:

Figuur 13. Data: KNMI

De lijnen betreffen Tx van de zomermaanden, loess gesmoothed en weergegeven als anomalie van het gemiddelde over 1952-1990. Goed te zien is dat Tx in Eelde tot 1950 opmerkelijk lager is dan in De Bilt. Door in de eerste homogenisatie Eelde als enig referentiestation voor De Bilt te gebruiken werd de correctie op De Bilt veel te sterk. Door bij homogenisatie 2.0 als referentie het ensemble van Eelde en Maastricht te gebruiken veranderde de situatie vóór 1951 volledig. In figuur 12 is bij De Bilt te zien dat dat tot gevolg had dat de overcorrectie uiteindelijk werd gecorrigeerd. Je kunt je zelfs afvragen of de grafiek in figuur 13 eigenlijk niet laat zien dat er met de meetgegevens van De Bilt tot 1950 weinig aan de hand was. Misschien zijn die 7 ‘teruggevonden’ hittegolven toch aan de zuinige kant?

Dit artikel werd eerst gepubliceerd op klimaatgek.nl op 9 februari.

DEEL DIT ARTIKEL:

Climate Intelligence Clintel

meer nieuws

Ed Miliband is de laatste dwaas die nog achter Net Zero staat

Nu de Verenigde Staten belangrijke klimaatregelgeving heroverwegen, krijgt het strenge streven van Groot-Brittannië naar klimaatneutraliteit steeds meer aandacht. In dit commentaar stelt Matt Ridley dat eenzijdige decarbonisatie het risico met zich meebrengt dat het Verenigd Koninkrijk economisch geïsoleerd raakt, terwijl een groot deel van de wereld van koers verandert.

20 februari 2026|Categories: Nieuws|Tags: , , , , |

Guardian beweert dat we het omslagpunt naderen richting klimaatcatastrofe

De Britse krant The Guardian beweert dat de wereld afstevent op een point of no return, waarna onstuitbare opwarming de aarde zal leiden naar een catastrofale broeikas-toekomst. Maar geologische gegevens vertellen een heel ander verhaal. In het verleden hebben periodes met veel hogere temperaturen en CO₂-niveaus het leven of de vooruitzichten van de beschaving niet beëindigd – ze hebben juist gezorgd voor overvloed en evolutionaire expansie.

19 februari 2026|Categories: Nieuws|Tags: , , , |
By |2026-02-23T01:30:29+01:0023 februari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Correcte KNMI-correcties? Misschien zijn die zeven ‘teruggevonden’ hittegolven toch aan de zuinige kant
Go to Top