De energietransitie blijkt statistisch mooier dan ze is

In dit artikel toont energie-expert Samuel Furfari aan waarom de energietransitie statistisch mooier wordt voorgesteld dan ze is. Recente veranderingen in de primaire energiestatistieken maken duidelijk dat de bijdrage van hernieuwbare energie jarenlang structureel werd overschat in veelgebruikte internationale data. Deze methodologische verschuiving verandert fundamenteel hoe de energietransitie wordt begrepen, gecommuniceerd en politiek geïnterpreteerd.

Samuel Furfari
Datum: 29 januari 2026

DEEL:

Samenvatting

De editie van 2025 van de Statistical Review of World Energy markeert een belangrijke methodologische verschuiving in hoe primaire energie wereldwijd wordt gemeten, met name als het gaat om niet-brandbare, hernieuwbare bronnen zoals wind, zon en waterkracht. Deze verandering heeft diepgaande gevolgen voor hoe de energietransitie statistisch mooier werd voorgesteld dan ze is, wordt waargenomen, gekwantificeerd en politiek wordt gebracht. Dit artikel vat de conceptuele achtergrond, numerieke effecten en geopolitieke implicaties van deze herziening samen en plaatst deze binnen de bredere context van de internationale praktijk (IEA, Eurostat, VN en EIA). Tot slot toont het aan dat de vroegere SRWE-methodologie de bijdrage van hernieuwbare energie aan primaire energie jarenlang schromelijk heeft overschat; iets wat hun voorstanders retorisch sterk ten goede kwam.

1. Primaire energie vormt de geopolitiek, finale energie beïnvloedt onze rekeningen

De Statistical Review of World Energy (SRWE) is al decennialang een belangrijke referentiebron voor veel energie-experts. BP – oorspronkelijk bekend als British Petroleum – begon in 1952 met het samenstellen van statistieken over voorraden, productie en verbruik van olie. De prominente rol van het bedrijf in energie-geopolitiek, die teruggaat tot de vroege samenwerking met Winston Churchill (die een sleutelrol speelde bij de oprichting van de Anglo-Persian Oil Company, die door verschillende naamsveranderingen BP werd), heeft geholpen om de BP Statistical Review of World Energy te vestigen als een toonaangevende bron voor energie-geopolitici.

Al meer dan zeventig jaar vormt deze reeks van statistieken een waardevol hulpmiddel voor het analyseren van energietrends. In de loop van de tijd is ze nog uitgebreid met gegevens over cruciale mineralen en de prijzen van diverse energiebronnen.

In 2022 droeg BP de verantwoordelijkheid voor het onderhouden en publiceren van deze historische, uitgebreide dataverzameling over aan het Energy Institute, waarmee het voortbestaan als essentiële informatiebron voor de energiesector werd verzekerd.

Een belangrijk concept in energie is het onderscheid tussen ‘primaire energie’ en ‘finale energie.’ Primaire energie zit in natuurlijke energiebronnen zoals steenkool, olie, gas, uranium, wind, biomassa en zonne-energie. Finale energie is de energie die door de eindgebruiker wordt gebruikt.

Hoewel de natuur primaire energie levert, komt deze zelden in een vorm die gemakkelijk direct te gebruiken of te hanteren is. Het omzetten van primaire energie in finale energie gaat altijd gepaard met transformatieprocessen die het oorspronkelijke energiegehalte verminderen. In energiecentrales of olieraffinaderijen wordt primaire energie bijvoorbeeld omgezet in meer bruikbare vormen, zoals elektriciteit of geraffineerde brandstoffen. Onvermijdelijk leidt deze omzetting tot efficiency-verliezen. Daardoor is de hoeveelheid finale energie altijd lager dan de hoeveelheid primaire energie en in sommige gevallen kan het verschil aanzienlijk zijn. Bovendien moet de finale energie naar de eindgebruiker worden vervoerd. Dit veroorzaakt ook weer verliezen, vooral voor elektriciteit waar energie wordt verminderd in transmissie- en distributielijnen voordat deze de consument bereikt.

2. Waarom boekhouding van primaire energie belangrijk is

Statistieken over primaire energie vormen de basis van bijna elke discussie op hoog niveau over energie, klimaat en geopolitiek. Energie-intensiteit, decarbonisatie-trajecten, het ‘aandeel’ van verschillende brandstoffen en technologieën en veel net-zeroscenario’s zijn gebaseerd op hoe primaire energie wordt gedefinieerd en gemeten. Echter, het concept van primaire energie dat in de statistiek wordt gebruikt, is niet gebaseerd op directe observatie, maar is het product van conventies.

Twee hoofdbenaderingen staan hierbij altijd naast elkaar:

  • De ‘fossiele brandstof-equivalent-‘ of substitutie-methode, waarin hernieuwbare elektriciteit uit niet-brandbare bronnen (wind, zon, waterkracht, kernenergie, enz.) wordt uitgedrukt in termen van de hoeveelheid fossiele energie die nodig zou zijn om in een thermische energiecentrale dezelfde hoeveelheid elektriciteit te produceren; en
  • De methode van ‘fysieke-energie-inhoud’, waarbij de primaire energie voor niet-brandbare hernieuwbare energie simpelweg de opgewekte elektriciteit is, zonder kunstmatige vermenigvuldiger.

Decennialang gebruikte de SRWE de substitutiemethode, wat intuïtief logisch was in een wereld die werd gedomineerd door steenkool, olie en gas, waar bijna alle elektriciteit werd opgewekt door thermische elektriciteitscentrales. Gezien het groeiende belang van niet-brandbare hernieuwbare energiebronnen en gezien de verstoringen die door deze conventie werden geïntroduceerd, schakelde de Review in 2025 echter over op een fysieke-inhoudsbenadering voor niet-brandbare hernieuwbare energie. Hiermee sluit de Review aan bij de lang bestaande praktijk van het IEA (International Energy Agency), Eurostat, de VN, meer recentelijk, de Amerikaanse EIA (Energy Information Administration).

Deze methodologische verschuiving veroorzaakte een schijnbaar ‘plotselinge’ daling van het aandeel hernieuwbare energie in de primaire energie en een overeenkomstige toename van het aandeel fossiele brandstoffen, hoewel er van het ene jaar op het volgende in de fysieke werkelijkheid geen enkele grote verandering in het energiesysteem had plaatsgevonden.

3. Historische methodologie: het substitutieparadigma

Met de traditionele substitutiemethode krijgt een niet-brandbare elektriciteitsbron een primair energiegehalte gelijk aan de hoeveelheid brandstof die nodig zou zijn geweest in een standaard thermische energiecentrale. Als de referentie-efficiëntie 38–40% is, wordt 1 kWh elektriciteit beschouwd als een vereiste van ongeveer 2,5–2,6 kWh primaire energie. In joule-termen wordt 1 kWh (3,6 MJ) hernieuwbare elektriciteit dan genoteerd als ongeveer 9–10 MJ primaire energie.

Deze logica was oorspronkelijk bedoeld om een consistente vergelijking van fossiele en niet-fossiele elektriciteit mogelijk te maken in een systeem waar thermisch geproduceerde energie de standaard was. Ze benadrukt ook impliciet de ‘vermeden brandstof’ die zulke technologieën leveren. Doordat niet-brandbare hernieuwbare energie nog marginaal was, was de verstoring die dit veroorzaakte in de totale primaire-energieverhouding bescheiden.

Echter, naarmate wind- en zonne-energie steeds sterker groeiden, begon de substitutiemethode het aandeel van de vormen in de primaire energie op te blazen. Hierdoor ontstonden twee grote kunstmatige verschijnselen.

  • Een te hoog geschat aandeel hernieuwbare energie: hernieuwbare elektriciteit werd gewaardeerd op basis van de hypothetische brandstofinput die het verdrong, niet op basis van de fysieke output. Dit verhoogde het gerapporteerde aandeel in de primaire energie aanzienlijk.
  • Een kunstmatige daling van de primaire energievraag: toen systemen overstapten van fossiele elektriciteit (met grote thermische verliezen) naar hernieuwbare elektriciteit (met minimale upstream-verliezen), neigde de statistische primaire energievraag af te vlakken of te dalen, zelfs wanneer het uiteindelijke energieverbruik stabiel of toenemend was.

Met andere woorden, de oude methode liet het systeem zowel schoner als ‘efficiënter’ lijken dan het in werkelijkheid was in termen van geleverde energievoorzieningen. Het leidde ook tot verwarring tussen echte verbeteringen in energie-efficiency en louter boekhoudkundige veranderingen.

4. De Nieuwe Methode in SRWE 2025

De SRWE van 2025 vervangt de substitutiemethode voor hernieuwbare energiebronnen door een benadering gebaseerd op het fysieke energiegehalte. Binnen dit kader:

  • Voor wind, zonne-energie (PV) en waterkracht wordt primaire energie gedefinieerd als de opgewekte elektriciteit; met andere woorden, 1 kWh primaire energie is gelijk aan 1 kWh hernieuwbare elektriciteit (d.w.z. 3,6 MJ).
  • De focus verschuift daarmee van ‘primair energieverbruik’ naar de totale energievoorziening, die wordt gedefinieerd als productie plus import minus export en voorraadveranderingen, in lijn met het bredere internationale gebruik.

Deze overgang weerspiegelt de aanpak van het IEA en Eurostat, die al lange tijd een definitie geven van de eerste bruikbare vorm van energie uit niet-brandbare hernieuwbare energie als elektriciteit.

Belangrijk is op te merken dat voor kernenergie niet dezelfde verandering wordt gevolgd. Voor kernenergie blijft de SRWE de thermisch equivalente benadering hanteren. Dit is in overeenstemming met de praktijk van het IEA en Eurostat. Kernenergie wordt gedefinieerd als geproduceerde elektriciteit, gedeeld door een standaardefficiency van ongeveer 33%. Zo is 1 kWh kernenergie dan gelijk aan ongeveer 10,9 MJ primaire energie.

Evenzo worden conventionele efficiency-factoren nog steeds gebruikt voor geothermische energie en bepaalde vormen van biomassa voor elektriciteitsopwekking, in plaats van een strikte één-op-één opstelling tussen elektriciteit en primaire energie. Dit weerspiegelt de onderliggende thermodynamische omzetting.

Zo betreft de belangrijkste verandering in 2025 dus de niet-brandbare hernieuwbare energie (wind-, zonne- en waterkracht-energie) en niet kernenergie, waarvan de statistische benadering structureel bij het oude blijft.

5. Numerieke Effecten op de Mondiale Energiebalans

Aan de hand van de hiervoor vermelde methode en de meest recent gerapporteerde wereldwijde geaggregeerde cijfers luidt het primaire energieaandeel voor 2024 (gepubliceerd in juni 2025) als volgt:

Het patroon is consistent: het aandeel niet-brandbare hernieuwbare energie wordt ongeveer gehalveerd, terwijl het aandeel fossiele brandstoffen met enkele procentpunten toeneemt, puur door de boekhoudkundige wijziging. De voor niet-specialisten meest opvallende uitkomst is de schijnbare toename van het aandeel fossiele brandstoffen in de primaire energie.

Voor de herziening was fossiele energie goed voor ongeveer 81,5% van de wereldwijd gebruikte primaire energie. Na de herziening: fossiele brandstoffen zijn goed voor ongeveer 86,7% van de totale energievoorziening.

Het is echter niet zo dat het wereldwijde gebruik van fossiele brandstoffen in absolute cijfers ineens stijgt. Voor niet-brandbare hernieuwbare energie wordt niet langer gerekend met de hypothetische brandstof, die zonder deze zou zijn verbrand. Ze krijgen alleen de elektriciteit toegeschreven die ze daadwerkelijk leveren.

De eerder beweerde statistische ‘vooruitgang’ in termen van een dalend aandeel in fossiele brandstoffen blijkt daarom deels een kunstmatig gevolg van de substitutiemethode te zijn. Het nieuwe beeld weerspiegelt de onderliggende fysieke realiteit nauwkeuriger: het mondiale systeem blijft overwegend fossiel gebaseerd.

6. Afstemming met de internationale statistische praktijk

Door de methodologische verschuiving wordt SRWE 2025 in lijn gebracht met de benaderingen van het IEA, Eurostat en de UN Statistical Division:

  • Voor niet-brandbare hernieuwbare energie beschouwen deze organisaties elektriciteitsopwekking als de primaire energie-inhoud, met een primaire energiefactor van één voor wind, zon en waterkracht.
  • Voor kernenergie gebruiken zij een thermische efficiencyfactor (vaak 33%).
  • Voor geothermische en sommige biomassa-elektriciteit gebruiken zij conventioneel afgesproken efficiency-factoren op basis van toepasselijke conversieketens.

Deze harmonisatie is belangrijk. Jarenlang maakten inconsistenties tussen SRWE en de IEA of Eurostat wereldwijde vergelijkingen en kruisrapportage moeilijk. Analisten moesten tijdreeksen zorgvuldig aanpassen of opnieuw baseren bij het combineren van SRWE-gegevens met gegevens uit andere bronnen. De editie van 2025 vermindert dit probleem aanzienlijk en maakt de SRWE nuttiger voor serieuze vergelijkende analyses.

7. Implicaties voor energiebeleid en geopolitiek

Vanuit beleidsperspectief heeft de nieuwe methode twee grote implicaties. Het feit dat het aandeel van hernieuwbare energie in de primaire energie is gehalveerd, van ongeveer 14–15% naar ongeveer 6%, toont aan hoe sterk energiesystemen wereldwijd nog steeds afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen, ondanks de snelle groei van de capaciteit en opwekking van hernieuwbare energie. Met deze eerlijke methode is wind goed voor ongeveer 2% en zonne-energie voor ongeveer 1%. De hernieuwbare energieën die door de Europese Commissie onder de Green Deal worden gepromoot, vertegenwoordigen slechts 3% van de primaire energievraag. Het verdient een opmerking dat het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen niet iets is van recent klimaatbeleid; de ontwikkeling van windturbines en zonnepanelen begon als reactie op de oliecrises van de jaren zeventig. Het heeft dus een halve eeuw geduurd om die 3% te bereiken, zodat het doel van 100% voor de komende decennia onhaalbaar lijkt.

Energiestatistieken zijn niet neutraal in het geopolitieke discours. Opkomende economieën, geïndustrialiseerde landen en regionale blokken gebruiken al lange tijd ‘aandelen’ van schone energie in de primaire levering ter ondersteuning van leiderschapsclaims of om verdeling van de lasten te rechtvaardigen. De methodologische wijziging in 2025 duwt alle actoren richting een objectievere en consistentere set feiten, zodat de mogelijkheden voor selectieve statistische interpretatie worden verkleind.

Voor veel voorstanders van hernieuwbare energie bood de oude conventie een handig achtergrondje. Grafieken toonden hernieuwbare energie dat 15% van de primaire energie naderde of overschreed, wat de indruk wekte van snelle structurele veranderingen. In werkelijkheid bleek hun bijdrage aan de uiteindelijke energiediensten echter veel bescheidener. Dit onderscheid werd vaak verbloemd in toespraken, rapporten en beleidsdocumenten.

Politiek en analytisch biedt het nieuwe kader een realistischer beeld van de stand van zaken in de energietransitie. Het laat zien dat het wereldwijde systeem nog steeds overwegend fossiel gebaseerd is en dat het pad naar vergaande decarbonisatie langer en steiler is dan alle verhalen, gebaseerd op de substitutiemethode, suggereren. Jarenlang maakte de oude methodologie het mogelijk het narratief van de snelle opkomst van hernieuwbare energie statistisch te onderbouwen. De wijziging van 2025 elimineert die versterking en laat alleen de fysieke data over.

Zoals een eerder artikel van Science-Climat-Energie, ‘Energie toevoegen, geen transitie: fossiele brandstoffen blijven de basis van vooruitgang‘, benadrukte, is wat zich ontvouwt geen energietransitie, maar een energie-uitbreiding. Hoewel wind- en zonne-energie wereldwijd groeien, zijn ze nog steeds slechts goed voor ongeveer 3% van de totale primaire energievraag. In het afgelopen decennium is de absolute toename van het fossiele brandstofverbruik meer dan zeven keer groter geweest dan de gecombineerde groei van wind- en zonne-energie. Daarom wordt de kloof tussen fossiele brandstoffen en nieuwe hernieuwbare energiebronnen steeds groter, niet kleiner.

Vanuit academisch perspectief is de les duidelijk: energiestatistieken zijn niet slechts technische kunstgrepen; ze beïnvloeden ook verwachtingen en beleidsdiscussies. Rigoureus energiebeleid moet gebaseerd zijn op maatstaven die de fysieke realiteit weerspiegelen, in plaats van conventies die onbedoeld de voorkeursverhalen versterken. In dit opzicht is de Statistical Review of World Energy 2025 niet slechts een technische update; het is een noodzakelijke realiteits-check en een belangrijke stap naar intellectuele eerlijkheid wereldwijd op het gebied van energieboekhouding. Het herinnert beleidsmakers eraan dat hun ambities moeten worden getoetst aan wat het energiesysteem daadwerkelijk kan leveren, niet aan wat grafieken ooit leken te beloven.

Dit artikel is eerder gepubliceerd op science-climat-energie.be onder de titel ‘When primary-energy statistics change the energy transition narrative.’

Samuel Furfari

Samuel Furfari is ingenieur en heeft een PhD van de Universiteit van Brussel. Hij is hoogleraar energie, geopolitiek en beleid. 36 Jaar lang was hij een hoge functionaris bij het Directoraat-Generaal Energie van de Europese Commissie. Hij is auteur van talrijke boeken.

DEEL DIT ARTIKEL:

Climate Intelligence Clintel

meer nieuws

De energietransitie blijkt statistisch mooier dan ze is

In dit artikel toont energie-expert Samuel Furfari aan waarom de energietransitie statistisch mooier wordt voorgesteld dan ze is. Recente veranderingen in de primaire energiestatistieken maken duidelijk dat de bijdrage van hernieuwbare energie jarenlang structureel werd overschat in veelgebruikte internationale data. Deze methodologische verschuiving verandert fundamenteel hoe de energietransitie wordt begrepen, gecommuniceerd en politiek geïnterpreteerd.

Historische draai van het KNMI

Na een lange strijd van zeven jaar hebben vier critici van Clintel gelijk gekregen van het KNMI. Er waren door het KNMI inderdaad teveel tropische dagen en hittegolven in de periode 1901-1950 weg-gecorrigeerd, zoals Clintel in diverse publicaties heeft beschreven. Zeven 'verdwenen' hittegolven zijn weer terug in de boeken en 1947 is met vier hittegolven weer het jaar met de meeste hittegolven.

28 januari 2026|Categories: Nieuws|Tags: , , , , |

Van wetenschap naar sciëntisme: de crisis van de moderne wetenschap

In dit essay over de crisis van de moderne wetenschap betoogt Apostolos Efthymiadis dat de hedendaagse wetenschappelijke cultuur is afgedreven van haar filosofische fundamenten en steeds meer is gaan steunen op dogmatisch denken en autoriteit. Vanuit de epistemologie van Aristoteles bekritiseert hij sciëntisme — het idee dat wetenschap tot onbetwistbaar gezag wordt verheven en wordt ingezet om politieke en maatschappelijke beslissingen af te rechtvaardigen —, politisering en consensusdenken, en pleit hij voor herstel van intellectuele scherpte en wetenschappelijke bescheidenheid.

28 januari 2026|Categories: Nieuws|Tags: , , , , |
By |2026-01-29T20:43:32+01:0029 januari 2026|Reacties uitgeschakeld voor De energietransitie blijkt statistisch mooier dan ze is
Go to Top