Kan CO2 ook voor afkoeling zorgen? Klimaatmodellen zeggen van wel (soms)
Zoals dr. Matthew Wielicki het droogjes verwoordde:
“Is er iets wat CO₂ niet kan?”
De studie achter die opmerking stelt dat stijgende CO2-niveaus onder bepaalde omstandigheden zelfs tot regionale afkoeling kunnen leiden – wat onderstreept hoe flexibel – en onzeker – de resultaten van klimaatmodellen kunnen zijn.
Charles Rotter
Datum: 1 april 2026 (dit bericht is geen grap)
De bewering: CO2 kan afkoeling veroorzaken
Er doet een nieuw artikel de ronde, en op het eerste gezicht lijkt het weer een nieuwe wending in het klimaatverhaal te bieden: kooldioxide, het molecuul dat doorgaans wordt afgeschilderd als de belangrijkste oorzaak van opwarming, kan blijkbaar afkoeling veroorzaken – althans boven India, althans in de zomer, en althans binnen de grenzen van een bepaald modelleringskader.
Dat alleen al zou iedereen die te horen heeft gekregen dat de “wetenschap vaststaat” aan het denken moeten zetten.
Een contra-intuïtief resultaat
Het artikel in kwestie, formuleert zijn centrale bewering duidelijk:
“Toenemende CO2-concentraties in de atmosfeer kunnen ook zomerse afkoeling boven India veroorzaken.”
Dit wordt gepresenteerd als een ‘voorheen ondergewaardeerd mechanisme’, waarbij de broeikasgasforcering de atmosferische circulatie zodanig herschikt dat er meer wolken ontstaan, er minder zonlicht op het aardoppervlak valt en de temperatuur lokaal daalt.
https://www.nature.com/articles/s41467-026-69875-2
De auteurs erkennen zelfs het contra-intuïtieve karakter van het resultaat:
“Deze resultaten onthullen een voorheen ondergewaardeerd mechanisme waarbij broeikasgasforcering paradoxaal genoeg regionale afkoeling kan veroorzaken…”
Een op modellen gebaseerd resultaat, geen realiteit
“Paradoxaal genoeg” is inderdaad de juiste formulering…
Want als een forceringsmechanisme zowel opwarming als afkoeling kan veroorzaken, afhankelijk van hoe een model is geconfigureerd, wat wordt er dan precies voorspeld – en met welke mate van zekerheid?
Binnen het modelexperiment
De exercitie leunt zwaar op CMIP6-modelensembles, waaronder zowel simulaties van alleen de atmosfeer als gekoppelde modellen. In één set-up wordt de CO2-concentratie verviervoudigd terwijl de temperatuur van het zeeoppervlak constant wordt gehouden. Dat is geen beschrijving van de echte wereld; het is een gecontroleerd numeriek experiment dat is ontworpen om specifieke mechanismen te isoleren. De auteurs zijn hier expliciet over:
“Wanneer de temperatuur van het zeeoppervlak wordt vastgezet op het niveau van het huidige klimaat en de CO2-concentratie in de atmosfeer wordt verviervoudigd…”
Die zin – “de temperatuur van het zeeoppervlak wordt vastgezet” – is het waard om even bij stil te staan. Oceanen zijn geen optionele componenten van het klimaatsysteem van de aarde. Ze domineren de warmtecapaciteit, het transport en de variabiliteit. Het weglaten van hun terugkoppelingen om een effect te isoleren, kan nuttig zijn voor de theorie, maar het creëert ook een scenario dat geen directe fysieke analogie heeft.
Men zou net zo goed de bewolking, of de windpatronen, of de luchtvochtigheid kunnen vastzetten en observeren wat er gebeurt. De vraag is of dergelijke oefeningen zinvolle informatie opleveren voor verwachtingen in de echte wereld – of dat ze simpelweg laten zien wat een model kan produceren wanneer het voldoende wordt beperkt.
Grote variabiliteit in modellen roept vragen op
En wat produceren deze modellen? Een opvallend breed scala aan uitkomsten:
“De maximale afkoeling varieert van −2,55 tot −0,68 K in de modellen… met een maximale afkoeling variërend van −9,93 tot −0,20 K in de modellen.”
Een spreiding van ongeveer −0,2 K tot bijna −10 K is geen onbeduidende onzekerheid. Het is een variabiliteit van een orde van grootte. Alleen al dat bereik roept vragen op over de robuustheid. Als dezelfde forcering radicaal verschillende cijfers oplevert in de verschillende modellen, dan is het mechanisme zeer gevoelig voor interne aannames – parameterisaties van wolken, convectie, vochttransport, enzovoort.
Toch beschrijft het artikel het signaal nog steeds als “robuust”.
Dit is een terugkerend kenmerk van de literatuur over klimaatmodellering: overeenstemming over de richting wordt vaak als voldoende beschouwd, zelfs wanneer de omvang sterk varieert. Maar voor beleidsdoeleinden is de omvang allesbepalend. Een afkoeling van −0,2 K is nauwelijks waarneembaar; −10 K zou catastrofaal zijn. Door die uitkomsten onder één conceptuele noemer te scharen, wordt de betekenis van “robuust” zo ver opgerekt dat het niet langer bruikbaar is.
Het mechanisme: een keten van aannames
Het mechanisme zelf is een keten van gemodelleerde interacties. CO2 neemt toe, Eurazië warmt meer op dan de omringende oceanen, drukgradiënten verschuiven, winden worden sterker, vochttransport neemt toe, wolken vormen zich en de binnenkomende zonnestraling neemt af:
“De afname van de neerwaartse zonnestraling is de belangrijkste factor die bijdraagt aan de afkoeling van het aardoppervlak… gekoppeld aan toegenomen bewolking.”
Dit is een klassiek voorbeeld van een feedback-cascade. Elke stap is afhankelijk van parameterisaties die bekend staan als de minst zekere elementen in klimaatmodellen – met name wolken.
Wolken: de zwakste schakel
Wolken zijn al lang de achilleshiel van klimaatmodellering. Kleine veranderingen in de microfysica of verspreiding van wolken kunnen de uitkomsten omdraaien van opwarming naar afkoeling. De auteurs demonstreren deze gevoeligheid op effectieve wijze: verander de circulatie enigszins, en de bewolking neemt voldoende toe om de stralingsforcering lokaal te compenseren.
Met andere woorden: het systeem is in hoge mate niet-lineair, en kleine keuzes in de modellering kunnen kwalitatief verschillende resultaten opleveren. Dit is een constatering over het systeem zelf en het maakt het idee dat modellen betrouwbare voorspellingen kunnen doen over regionale uitkomsten tientallen jaren in de toekomst, een stuk ingewikkelder.
Zeer voorwaardelijke resultaten
Het artikel wijst ook op seizoensgebonden en geografische specifieke kenmerken die de toepasbaarheid van het resultaat nog verder beperken. De afkoeling lijkt:
“voornamelijk beperkt te blijven tot de boreale zomer… die samenvalt met de Indiase zomermoesson.”
Buiten die maanden warmt dezelfde regio op.
Het verhaal luidt nu dus: CO2 veroorzaakt wereldwijd opwarming, behalve waar het afkoeling veroorzaakt, behalve wanneer dat niet het geval is, afhankelijk van het seizoen, de topografie, de beschikbaarheid van vocht en circulatiepatronen.
Dat is misschien een accurate beschrijving van het modelgedrag. Maar als basis voor ingrijpende beleidsbeslissingen introduceert het een mate van complexiteit die zelden aan het publiek wordt gecommuniceerd.
Beleidsimplicaties worden onduidelijk
De auteurs gaan nog verder en suggereren beleidsimplicaties die grenzen aan het ironische:
“De voorspelde daling van de CO2-concentratie… kan, tegen de intuïtie in, bijdragen aan opwarming boven India.”
Dus het verminderen van CO2 zou kunnen leiden tot opwarming – in ieder geval regionaal, in ieder geval in dit kader.
Op dit punt zou men zich kunnen afvragen of de variabele waarop het beleid zich richt, wel de dominante drijvende kracht is achter lokale klimaatuitkomsten. Als een toename van CO2 een regio kan afkoelen en een afname van CO2 deze kan opwarmen, dan is de relatie tussen uitstoot en regionale temperatuur allesbehalve eenduidig.
Het siert de auteurs dat ze de complexiteit benadrukken:
“De resultaten benadrukken de complexiteit van regionale klimaatreacties…”
Dat is waarschijnlijk de meest verdedigbare uitspraak in het hele artikel.
Van mechanisme naar interpretatie
Deze analyse heeft raakvlakken met scepticisme. Maar niet door het ontkennen dat dergelijke mechanismen binnen modellen zouden kunnen bestaan. Het betreft vooral het in twijfel trekken van wat deze oefeningen aantonen – en wat ze niet aantonen.
Ze tonen aan dat modellen een grote verscheidenheid aan uitkomsten kunnen genereren onder verschillende aannames. Ze laten ook zien dat terugkoppelingen kunnen worden afgestemd, versterkt of onderdrukt, afhankelijk van de configuratie. En ze illustreren hoe nieuwe “mechanismen” kunnen worden geïdentificeerd wanneer de aandacht wordt gericht op een bepaalde regio of variabele.
Wat ze niet aantonen, is dat deze mechanismen in de echte wereld met dezelfde kracht, consistentie of voorspelbaarheid werken.
Wat bewijzen deze modellen eigenlijk?
Het vertrouwen op ensembles van meerdere modellen wordt vaak gepresenteerd als een sterk punt. Twaalf modellen hier, achtenveertig daar. Maar als die modellen structurele overeenkomsten vertonen – en dat doen ze – is het ensemble geen verzameling onafhankelijke experimenten. Het is een familie van verwante hypothesen.
Overeenstemming binnen die familie vertaalt zich niet noodzakelijkerwijs naar overeenstemming met de werkelijkheid.
Validatie versus werkelijkheid
Het artikel probeert validatie te bereiken door modeluitkomsten te vergelijken met observatiedatasets:
“De meeste modellen vertonen een redelijk gecentreerde gemiddelde kwadratische fout (RSME, red.) … wat een robuuste basis biedt voor verdere analyse.”
“Redelijk gecentreerd” is een flexibele norm. Modellen kunnen overeenkomen met brede ruimtelijke patronen terwijl ze toch aanzienlijk uiteenlopen in dynamiek, terugkoppelingen en gevoeligheden. Het overeenkomen met een klimatologie garandeert geen nauwkeurige reactie op verstoringen.
Wat de auteurs daadwerkelijk beweren
Om eerlijk te zijn, claimen de auteurs geen voorspellende zekerheid. Ze identificeren een mechanisme binnen een modelleringskader. Dat is een legitieme wetenschappelijke exercitie.
Maar het bredere verhaal dat vaak met dergelijke bevindingen gepaard gaat – dat de klimaatwetenschap een punt heeft bereikt waarop beleid met grote zekerheid kan worden gedicteerd – gaat moeilijk samen met resultaten als deze.
Als CO2 via het ene pad afkoeling kan veroorzaken en via het andere opwarming, als regionale uitkomsten afhangen van fijn uitgebalanceerde terugkoppelingen, als modeluitkomsten een orde van grootte beslaan, dan blijft het systeem zeer onzeker.
Dit plaatst de klimaatwetenschap stevig in het domein van voortdurend, speculatief onderzoek, waar hypothesen worden getest, herzien en soms verworpen.
Vanuit beleidsoogpunt wordt het een kwestie van proportionaliteit. Hoeveel zekerheid is er nodig voordat grootschalige ingrepen in energiesystemen, landbouw en economische structuren worden doorgevoerd?
Als de onderliggende wetenschap nieuwe mechanismen, nieuwe gevoeligheden en nieuwe onzekerheden blijft onthullen, lijkt voorzichtigheid geboden.
Een patroon van ‘nieuwe mechanismen’
Er is ook een patroon dat het vermelden waard is. Elk decennium lijkt nieuwe “voorheen ondergewaardeerde mechanismen” voort te brengen. Verschuivingen in de oceaancirculatie, aerosol-effecten, veranderingen in landgebruik, de gevolgen van irrigatie en nu dus door CO2 veroorzaakte wolkenfeedback die tot afkoeling leidt.
Men zou dit kunnen interpreteren als vooruitgang – de wetenschap die fijnere details van een complex systeem blootlegt. Dat is zeker één interpretatie.
Een andere interpretatie is dat het systeem zo complex is, en de modellen zo gevoelig, dat er altijd nieuwe verklaringen kunnen worden gevonden om discrepanties tussen verwachtingen en waarnemingen met elkaar te verzoenen.
Het bredere perspectief: aanhoudende onzekerheid
Het onderzoek is niet zinloos. Het draagt bij aan de lijst van mogelijke interacties binnen het klimaatsysteem. Maar het onderstreept ook hoe ver het vakgebied nog verwijderd is van een eenduidig, stabiel begrip van de regionale klimaatdynamiek.
En misschien is dat wel de belangrijkste conclusie.
Van complexiteit naar beleidsvragen
Dus niet dat CO2 onder bepaalde gemodelleerde omstandigheden in de zomer voor afkoeling boven India zorgt. Maar dat het klimaatsysteem zich blijft verzetten tegen een eenvoudige karakterisering, en dat elk nieuw ‘mechanisme’ een extra laag van voorwaardelijkheid toevoegt aan de toch al complexe prognoses.
Voor degenen die pleiten voor ingrijpende, onomkeerbare beleidswijzigingen op basis van modelresultaten, vormt die toenemende complexiteit een uitdaging.
Voor degenen die geneigd zijn tot scepsis, versterkt het een basisprincipe: stel je oordeel uit, onderzoek aannames en weersta de verleiding om zich ontwikkelende modellen als vaststaand feit te behandelen.
De modellen kunnen opwarming produceren. Ze kunnen afkoeling produceren. Ze kunnen beide tegelijk produceren, afhankelijk van waar en wanneer men kijkt.
De vraag is met hoeveel zekerheid die uitkomsten kunnen worden vertaald naar verwachtingen in de echte wereld – en of die zekerheid de omvang rechtvaardigt van het beleid dat in hun naam wordt voorgesteld.
Dit artikel is op 27 maart 2026 gepubliceerd onder de titel “Climate Models Discover Yet Another Thing CO2 Can Do” op wattsupwiththat.com. Voor de leesbaarheid hebben onze redacteuren verschillende tussenkopjes toegevoegd.
meer nieuws
Snoeihard oordeel TU Delft over Nederlands windturbine-optimisme
Nieuwe wetenschappelijke bevindingen van de TU Delft zetten zware vraagtekens bij het Nederlandse optimisme over offshore windenergie en laten zien dat de werkelijke opbrengsten veel lager liggen dan jarenlang werd aangenomen.
Tijd om te stoppen met doen alsof hernieuwbare energie goedkoop is
Dit artikel van Tilak Doshi stelt de algemeen heersende aanname aan de kaak als zouden wind- en zonne-energie door hun aard 'goedkoop' zijn. Hij stelt dat als de volledige kosten van de levenscyclus, materiaalbeslag en intermittentie van deze energievormen in de beschouwing worden meegenomen, hernieuwbare energie wel eens veel duurder kan blijken dan vaak wordt beweerd.
CO2 is niet de boosdoener; net-zero is onzin
Broeikasgas-emissies dragen slechts in geringe mate bij aan de opwarming van de aarde; een schonere lucht met minder aerosolen en wolken des te meer. De voorgenomen energietransitie van vraag- naar aanbod-gestuurd is onzinnig en schadelijk, stelt hydroloog Henk Ogink.








