Ross McKitrick over klimaatmodellen, economische effecten en het DOE-rapport

In dit diepgaande interview bespreekt econoom en statisticus Ross McKitrick klimaatmodellen, onzekerheid en de vraag of het publieke klimaatdebat werkelijk zo wetenschappelijk evenwichtig is als vaak wordt beweerd. Hij reflecteert ook op zijn rol als mede-auteur van het recente rapport van het U.S. Department of Energy (DOE).

Professor Ross McKitrick, hoogleraar Economie en Financiën aan de University of Guelph,
in
Climate: The Movie (te zien op het YouTube kanaal van Clintel)

Manish Koirala
Datum: 27 januari 2026

DEEL:

Ross McKitrick geldt als een van de bekendste critici van algemeen aanvaarde conclusies in de klimaatwetenschap. Hij is een Canadese econoom en sinds 1996 hoogleraar aan de afdeling Economie en Financiën van de Universiteit van Guelph in Ontario. Zijn stevige achtergrond in econometrie en statistische methoden, heeft hij aangewend om klimaatdata, temperatuurgegevens en (de structuur van) klimaatmodellen te analyseren—werk dat regelmatig tot intens debat en controverse heeft geleid in wetenschappelijke kringen.

Naast zijn academische functie is McKitrick Senior Fellow bij het Fraser Institute, een invloedrijke Canadese denktank. Daarnaast is hij verbonden aan de Global Warming Policy Foundation (GWPF) in het Verenigd Koninkrijk, waar hij lid is van de Academic Advisory Council.

McKitrick kreeg brede bekendheid door zijn kritiek op de beroemde ‘hockeystick’-reconstructie van mondiale temperaturen. Sindsdien heeft hij consequent de vraag gesteld of de gangbare klimaatmodellen de opwarming niet structureel overschatten.

Medio 2025 maakte McKitrick deel uit van de Climate Working Group (CWG), een onafhankelijk panel van vijf wetenschappers dat werd samengesteld door het Amerikaanse ministerie van Energie. In juli van dat jaar publiceerde de groep een omvangrijk rapport van 150 pagina’s, bedoeld om gangbare aannames over de effecten van broeikasgasemissies op het Amerikaanse klimaat, te evalueren.

1. Hoe reageert u op de beschuldiging dat het recente DOE-rapport, waaraan u meeschreef, bedoeld was om “een basis te fabriceren” om de gevestigde wetenschap over antropogene klimaatverandering, te verwerpen?

Ons rapport overlapt in belangrijke mate met dat van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), en we betwisten hun fundamentele wetenschappelijke uitgangspunten niet. Wat ons specifiek werd gevraagd, was een rapport dat aandacht besteedt aan belangrijke onderwerpen die in het publieke debat vaak worden onderbelicht of genegeerd. We ontkennen bijvoorbeeld niet dat CO₂ een broeikasgas is. We ontkennen ook niet dat er sprake is van klimaatverandering.

We gaan dieper in op bepaalde vragen. Bijvoorbeeld: overschatten klimaatmodellen structureel de opwarming? Wij laten zien dat dit inderdaad een terugkerend patroon is. Is CO₂ verbonden met mondiale vergroening en hogere landbouwproductiviteit? Ook daar presenteren we een aanzienlijke hoeveelheid bewijs voor.

Daarnaast bespreken we vormen van natuurlijke klimaatvariabiliteit die in het publieke debat vaak worden genegeerd en door het IPCC worden gebagatelliseerd. Het doel van ons rapport is het verbreden van het debat, niet het sluiten ervan of het in diskrediet brengen van de klimaatwetenschap.

2. Hoeveel autonomie had u bij het bepalen van de kernconclusies van het rapport (tegenover het volgen van het gezamenlijke standpunt van de vijf leden van de Climate Working Group)?

We hadden volledige autonomie. Aanvankelijk dachten we dat we mogelijk betrokken zouden worden bij wat bekendstaat als de endangerment finding van de Environmental Protection Agency (EPA) uit 2009. Maar meteen werd duidelijk gemaakt dat dit een afzonderlijk traject was en dat wij daar geen rol in speelden. We hadden geen contact met dat team.

Ons werd simpelweg gevraagd: schrijf een rapport over wat jullie belangrijk achten. Dat hebben we gedaan. We bepaalden gezamenlijk de onderwerpen, schreven het rapport en dienden een eerste versie in, die vervolgens intern werd beoordeeld door wetenschappers van de nationale laboratoria van het ministerie van Energie. We verwerkten hun opmerkingen, maar er was geen enkele politieke sturing of inmenging vanuit de regering.

3. U gaf aan niet bekend te zijn met de juridische stukken van de EPA, terwijl het rapport nu wordt aangehaald in pogingen om de endangerment finding te herzien. Hoe comfortabel bent u met dat gebruik?

Dat was een beslissing van de EPA-medewerkers. Als men ons om input had gevraagd, hadden we die waarschijnlijk geleverd. Maar wij hebben het rapport gepubliceerd om gebruikt te worden.

Ons doel was ervoor te zorgen dat, in onze ogen, valide wetenschappelijke en economische argumenten deel uit moeten maken van het klimaatdebat. Dat is gelukt.

4. Was er onderling verzet of discussie over reikwijdte en formuleringen?

Zeker. We hebben concepten uitgewisseld, waren het soms snel eens en soms juist niet. Dan discussieerden we totdat we consensus bereikten. De definitieve tekst is regel voor regel door alle vijf auteurs goedgekeurd.

5. Het DOE-rapport is bekritiseerd vanwege vermeend selectief gebruik van data. Hoe werden keuzes gemaakt—en waarom zou het publiek die moeten vertrouwen?

Laat ik beginnen met te zeggen dat het rapport als concept is gepubliceerd voor publieke consultatie en kritiek. We hebben duizenden opmerkingen ontvangen, waaronder stevige kritiek. Vervolgens werd het ministerie van Energie aangeklaagd door milieuorganisaties, vanwege een procedurele fout: de groep voldeed niet aan de Federal Advisory Committee Act. Daardoor werd de CWG opgeheven.

Individueel zijn we bezig de kritiek te analyseren en antwoorden voor te bereiden. Hopelijk kunnen we later alsnog een herziene versie presenteren met correcties waar nodig, én onderbouwde weerleggingen.

Een voorbeeld: in het hoofdstuk over landbouwproductiviteit ontbrak een bespreking van de effecten van extreme hitte op oogsten. Dat was een omissie. Die had erin moeten staan. Dat verandert de hoofdconclusie niet, maar verdient wel aandacht.

Een ander punt: critici beweerden dat wij selectief studies gebruikten over klimaatgevoeligheid. Ik heb hun aangedragen studies bekeken—ze ondersteunen allemaal onze conclusie. Modellen met lage klimaatgevoeligheid reproduceren de afgelopen 50 jaar beter; modellen met hoge gevoeligheid overschatten de opwarming. Dat is cruciale informatie.

6. Wanneer verschijnt een herziene versie van het rapport?

Er is momenteel geen tijdschema. De CWG is formeel opgeheven en het ministerie heeft verklaard dat ons werk is afgerond. Individueel zijn we vrij om te publiceren en te spreken. Mijn hoop is dat we dit jaar alsnog een volledige reactie op de kritiek kunnen presenteren.

7. Heeft de groep formele onzekerheidsanalyses uitgevoerd, vergelijkbaar met IPCC-methoden?

Ja. Voor neerslag- en temperatuurtrends gebruikten John Christy en ik bestaande, peer-reviewde econometrische methoden. We hebben datasets geactualiseerd maar hebben geen nieuwe methodologie geïntroduceerd.

8. Als u één sectie zou mogen aanpassen naar aanleiding van de kritiek, welke zou dat dan zijn?

In het economische deel had ik meer aandacht moeten besteden aan divergentie in de emissiepaden binnen de modellen van Nordhaus. Daarnaast zijn er uitgebreidere modellen met expliciete risico- en onzekerheidsrepresentatie. Die verdienen bespreking.

9. Waarom kreeg de groep slechts zes weken voor dit werk?

Dat lag buiten onze invloed. Oorspronkelijk was het plan: concept, publieke consultatie en revisie—een proces van ruim een jaar. De rechtszaak maakte daar abrupt een einde aan.

Professor Ross McKitrick in Martin Durkin’s bekroonde documentaire Climate: The Movie

10. Hoe zou het rapport eruit hebben gezien met zes maanden of meer voorbereidingstijd?

De inhoudsopgave zou grotendeels hetzelfde zijn gebleven. Meer tijd had consultatie met andere experts mogelijk gemaakt, inclusief latere critici. Het echte werk zit in revisie en peer review—niet in het eerste concept.

11. Wat is het grootste misverstand bij critici én bij supporters?

Dat het rapport een aanval zou zijn op de klimaatwetenschap. Dat is onjuist. We steunen zwaar op IPCC- en National Climate Assessment-rapporten. We willen het debat vollediger maken.

12. Waarom is de Clean Air Act volgens u geen geschikt kader voor broeikasgasbeleid?

Die wet is ontworpen voor lokale luchtvervuiling, niet voor een gas als CO₂ dat wereldwijd is gemengd. Er bestaan geen ‘non-attainment zones’ voor CO₂. Het is simpelweg het verkeerde beleidsinstrument.

13. Hoe beoordeelt u klimaatmodellen en de onzekerheidsmethoden van het IPCC?

Ik hecht weinig waarde aan de zekerheidslabels van het IPCC. Ze zijn vaak subjectief en soms retorica. Methoden als optimal fingerprinting overschatten antropogene invloed en onderschatten natuurlijke variabiliteit.

14. Zijn de huidige klimaatmaatregelen kosteneffectief?

Over het algemeen niet. Zon en wind zijn extreem duur voor weinig bruikbare energie. EV-verplichtingen zijn kostbaar, inefficiënt en leveren minimale emissiereductie op. Economisch gezien is prijsstelling (bijv. een CO₂-belasting) de minst verstorende aanpak—maar zelfs die heeft beperkte effecten op de korte termijn.

15. Wat vindt u van een Net Zero verplichting?

Op zijn best misleidend symbolisch, op zijn slechtst geopolitiek schadelijk. Het ondermijnt westerse industrieën en creëert kansen voor landen als China.

16. Denkt u dat economen systematisch beter of slechter zijn dan natuurwetenschappers bij het redeneren over onzekerheid—en welke blinde vlekken brengt uw eigen discipline mee bij klimaatvragen?

Economen hebben, zou ik zeggen, een voordeel: de gemiddelde econoom krijgt veel meer training in kwantitatieve methoden, econometrie en statistiek dan de gemiddelde natuurwetenschapper. Een van de redenen dat ik in klimaattijdschriften ben gaan publiceren, is dat er veel kwesties waren waarbij de gebruikte methoden eigenlijk uit de economie en econometrie kwamen, maar niet op de juiste manier werden toegepast in natuurwetenschappelijke tijdschriften. Ik vind dat economen statistisch redeneren en analyseren, doorgaans beter beheersen.

Wat betreft redeneren over onzekerheid: iedereen worstelt met de vraag hoe je iets zinnigs kunt zeggen over wat er over 100 jaar mogelijk wel of niet gebeurt. Economen zijn gewend een systeem te bestuderen—namelijk de wereldeconomie—dat enorm kan veranderen. We weten dat de technologie van vandaag niet per se die van morgen is. We weten dat inkomens en levensstandaarden in een eeuw tijd drastisch kunnen verschuiven. Natuurwetenschappers bestuderen daarentegen systemen die vaak relatief stabiel zijn en niet snel veranderen; zij zijn daarom extra alert op alles wat lijkt te wijzen op een merkbare verandering in de afgelopen 50 jaar.

Onze blinde vlek als economen is misschien dit: als je ons vertelt dat de wereld een paar graden warmer kan worden en dat dit grote gevolgen kan hebben, dan halen we in eerste instantie de schouders op en denken: oké, daar kunnen we waarschijnlijk mee leven. Technologische vooruitgang en inkomensgroei maken dat die verandering—afgezet tegen alles wat er verder verandert in de komende 100 jaar—mogelijk niet zo dominant aanvoelt. Natuurwetenschappers zijn juist veel alerter op de kans op schadelijke verrassingen en ongekende veranderingen.

17. Hoe maakt u in uw eigen besluitvorming onderscheid tussen ‘methodologische scepsis’ en ‘gemotiveerde scepsis’—zeker wanneer de resultaten overeenkomen met uw eigen voorkeuren?

Ik ben niet volledig vertrouwd met die termen, maar ik denk dat u bedoelt: methodologische scepsis is wat je van wetenschappers verwacht—je wilt conventionele wijsheden testen en kijken hoe stevig het bewijs is. Gemotiveerde scepsis zou dan meer betekenen: een partijdige houding, waarbij je punten wilt scoren voor je eigen kamp en het andere kamp wilt afwaarderen. Ik neem aan dat iedereen daar vatbaar voor is.

Iedereen, ook in de harde wetenschappen, raakt gehecht aan zijn paradigma en voorkeurskader. Soms bouwen mensen hun hele carrière op een theorie, en als er dan data verschijnen die die theorie tegenspreken, gaan ze die data aanvallen. In mijn ogen is dat op zich niet verkeerd, zolang de analyses transparant zijn.

De echte kern is: als je je werk publiceert, deel je dan je data? Deel je je methoden? Schrijf je het zo op dat lezers precies kunnen zien wat je hebt gedaan? Dan kunnen lezers je werk zelf beoordelen. Gemotiveerde scepsis, gemotiveerd redeneren, is op zichzelf niet per se een probleem als het toevallig tot het juiste antwoord leidt. Het wordt pas een probleem wanneer het tot misleiding leidt—als je probeert te verbergen wat je doet door je data niet vrij te geven, of als je dingen verzint.

Daar moeten we waakzaam voor zijn. In mijn geval probeer ik heel zorgvuldig te zijn met het vrijgeven van mijn eigen data. Ik vind dat het in de klimaatwetenschap verbeterd is, maar er zijn nog steeds veel papers waarbij ik de analyse wil controleren en het extreem lastig is om de data te vinden—of ze zijn op zo’n manier gedeeld dat je er niets mee kunt, of je moet speciale software opvragen om het überhaupt werkbaar te maken. Dat blijft een probleem in veel wetenschappelijke domeinen, inclusief klimaat.

18. Welke institutionele prikkels vertekenen klimaatonderzoek het meest: financieringsstructuren, publicatie-bias, media, of de politieke vraag naar zekerheid?

Mijn waarneming is dat subsidiërende instanties hier in Canada zijn afgestapt van open, nieuwsgierigheidsgedreven onderzoeksfinanciering. Ze zijn veel ‘voorschrijvender’ geworden. Er worden specifieke onderwerpen aangewezen, en in hun oproepen tot onderzoek zitten de gewenste conclusies vaak al ingebakken in het onderzoeksontwerp.

Het is inmiddels bijvoorbeeld vrij gebruikelijk dat federaal gefinancierde subsidieregelingen draaien om ‘hoe we broeikasgasemissies kunnen verminderen’ of ‘het meten van schadelijke effecten van klimaatverandering op de samenleving’. Als je zo’n subsidieregeling uitschrijft, bepaal je vooraf al welk soort werk je bereid bent te steunen, in plaats van wetenschappers vrij te laten voorstellen wat zij belangrijk vinden en financiering toe te kennen op basis van kwaliteit. Subsidieverstrekkers zijn dus een probleem.

Over wetenschappelijke tijdschriften: je kunt je werk nog steeds gepubliceerd krijgen, ook als je tegen het dominante verhaal ingaat. Maar ik heb in de loop der jaren—ook recent—meegemaakt dat redacteuren, zelfs wanneer je resultaten sterk wijzen op bijvoorbeeld dat CO₂ geen dominante rol speelt in temperatuurverandering, zeggen: “Formuleer het niet zo; probeer het te relativeren.” Ze willen die discussie niet openen. Eén redacteur zei letterlijk: “Dit is vaststaande natuurkunde; ik wil die beerput niet openen.” De resultaten waren wat ze waren maar de redacteur legde beperkingen op over hoe we ze mochten beschrijven.

Tegelijk zijn er genoeg tijdschriften en redacteuren die wél bereid zijn solide resultaten te publiceren als ze door peer review komen. Ik verwerp dus het idee dat het in de klimaatwetenschap alleen maar om gatekeeping draait. Er is wel enige selectie, maar niet meer dan in andere disciplines.

Professor Ross McKitrick (Climate: The Movie)

19. Denkt u dat denktanks—aan beide kanten van het klimaatdebat—het moeilijker hebben gemaakt voor het publiek om onzekerheid goed te begrijpen? Neem ook organisaties mee waarmee u zelf heeft samengewerkt.

Er zijn verschillende soorten denktanks. Je hebt ook belangenorganisaties, zoals sommige milieugroepen, die niet echt als ‘denktank’ willen worden gezien—dat zijn eerder lobbygroepen en activistische organisaties. Die hebben wat mij betreft vaak bijgedragen aan vertroebeling, met extreem taalgebruik.

Ik zou ook de secretaris-generaal van de Verenigde Naties noemen. Ik vind hem de meest onverantwoordelijke stem over dit onderwerp ter wereld. Hij doet echt absurde uitspraken. Toen het zesde IPCC-rapport uitkwam, noemde hij het een ‘code rood’ en deed hij alsof het rapport allerlei alarmsignalen afgaf die er simpelweg niet in stonden. Hij verzon het. Ik begin dus bij hem: Guterres. Zeer onverantwoordelijk.

En als klimaatwetenschappers zulke uitspraken niet publiekelijk corrigeren, zitten ze misschien in een lastige positie. Maar ik vind dat ze actiever zouden moeten zijn in het bewaken van hun eigen kant van het debat.

De denktanks waar ik bij betrokken ben geweest, richten zich vooral op economisch beleid. Daar is veel overlap tussen denktankwerk en wat in de economische literatuur staat. Dit zal mensen misschien verbazen maar mainstream-economen zijn —gedurende mijn carrière sinds begin jaren ’90—nooit echt enthousiast geweest over streng klimaatbeleid. Ik heb weinig belangstelling gezien voor de Net-Zero agenda, simpelweg omdat de kosten niet opwegen tegen de baten. De economische analyses die ik via denktanks doe, lopen daarom vaak parallel aan wat in peer-reviewde economische tijdschriften gebeurt.

De denktankwereld, zeker in de VS, is enorm. Er zijn er ontzettend veel. Sommige focussen op wetenschap, andere op energie en stroomnetwerken. Van buitenaf lijkt het soms alsof het machtige blokken zijn die alles sturen, maar in werkelijkheid zijn het er zóveel dat geen enkele denktank het hele proces domineert—ze neutraliseren elkaar vaak.

20. Is er een klimaatmaatregel die u niet zozeer afwijst omdat ze ineffectief is, maar omdat ze in strijd is met een principe dat economen zouden moeten verdedigen—zelfs als de uitstoot daalt?

Dit geldt breder dan klimaatbeleid. De economische manier van denken over beleid—die ik steun—is dat we beleidsopties moeten zoeken die zo min mogelijk ingrijpen in de autonomie van mensen. Zeker als je twee maatregelen hebt die hetzelfde resultaat bereiken—één via vrijwillige marktmechanismen en één via de overheid die consumptiekeuzes en dagelijkse activiteiten voorschrijft—dan geven we sterk de voorkeur aan die eerste. Autonomie is op zichzelf al een waarde.

Bij klimaatbeleid is dat heel zichtbaar. Economen staan al lang sympathiek tegenover prijsmechanismen, bij voorkeur een CO₂-belasting. Je voert die in en laat vervolgens mensen zelf bepalen hoe ze reageren. Sommigen verminderen hun fossiele energiegebruik sterk, anderen minder en betalen liever meer. Maar je laat de keuze bij hen.

In de praktijk zagen we helaas dat beleidsmakers (zelfs in Canada, waar men in principe achter een CO₂-belasting stond) zodra de CO2-belasting er was, de economie toch massaal gingen sturen. Er kwamen meer dan 100 andere maatregelen bij: regels over welk soort lamp je mag kopen, welke wasmachine, welke auto, isolatie-eisen voor woningen, enzovoort.

Economen houden daar niet van omdat het inefficiënt is: de kosten schieten omhoog en de extra opbrengst is beperkt. Maar intuïtief voelen mensen ook dat het te ver gaat: het voelt als sociale controle. En als het dan ook nog weinig oplevert, wordt het des te problematischer.

21. Wat begrijpen mainstream-klimaatwetenschappers volgens u het minst van economenkritiek—en wat begrijpen economen het minst van de overwegingen van klimaatwetenschappers?

In mijn ervaring waarderen klimaatwetenschappers het nadeel van het beperken van toegang tot fossiele brandstoffen onvoldoende. Of ze denken dat we die eenvoudig kunnen vervangen en toch onze levensstandaard behouden—maar dat is niet zo.

Wat economen vaak onvoldoende begrijpen van de natuurwetenschappen: de meeste economen weten weinig van meteorologie, klimatologie, klimaatmodellering en de gebruikte datasets. Als er één punt is waarvan klimaatwetenschappers zouden willen dat economen het beter begrijpen, dan is het de mogelijkheid van niet-lineariteiten en onverwachte omslagen in een chaotisch klimaatsysteem.

22. Zijn er aspecten van de mainstream-klimaatwetenschap die volgens u opnieuw serieuzer geëvalueerd moeten worden?

Ja: attributie, en met name optimal fingerprinting; methoden die proberen vast te stellen in hoeverre waargenomen klimaatveranderingen door menselijke invloed worden veroorzaakt. Ik denk dat er veel simpelweg foute resultaten in de literatuur staan. Het IPCC omarmde een methode die zelfs veel beoefenaars niet echt begrepen, maar men vond het prettig dat deze methode vaak ‘positieve’ resultaten opleverde, zonder grondig te toetsen of het statistisch wel valide is. Dat moet serieus herzien worden. Dat zeiden we ook in het DOE-rapport. Bij de reacties viel het op dat bijna niemand daar inhoudelijk op inging.

Een ander punt is attributie van extreem weer. Dat is inmiddels mainstream geworden. Ook daar zie je een methode die snel is omarmd zonder degelijke beoordeling van de tekortkomingen—en omdat ze vaak resultaten geeft die men graag hoort. Men zou veel voorzichtiger moeten zijn.

Er zijn overigens onderzoekers op dat terrein die wel degelijk voorzichtig zijn. Een kritiek die we kregen was dat we scherp waren over de focus op World Weather Attribution: een groep met een enorme PR-machine en veel media-aandacht. Sommige critici zeiden: “scheer ons niet allemaal over één kam.” Dat klopt: er zijn veel serieuze onderzoekers die niet overhaast conclusies trekken.

Maar ik vrees dat de dominante spelers dezelfde fout gaan maken als eerder: zoals bij de hockeystick, zoals bij optimal fingerprinting—een methode omarmen die men onvoldoende begrijpt omdat men de uitkomsten prettig vindt.

23. In uw ervaring: hoeveel van het Amerikaanse klimaatbeleid wordt gedreven door wetenschappelijk bewijs, en hoeveel door politieke of economische overwegingen?

Heel weinig door wetenschap. Als je een probleem volledig tegen lage kosten kunt oplossen, zullen mensen eerder de wetenschappelijke adviezen volgen. Bij CFK’s en de ozonlaag was er een relatief goedkope oplossing: een vervanging was beschikbaar, er waren weinig commerciële belangen bij de oude stoffen, dus een verbod was haalbaar.

Bij klimaat ligt dat anders: het gaat om fossiele brandstoffen. Elk land is afhankelijk van olie, gas en steenkool voor zijn welvaart en levensstandaard. Dan wordt beleid onvermijdelijk fel politiek.

Bovendien is de wetenschap onzeker. De discussie is niet of CO₂ een broeikasgas is, maar hoe groot het effect is en hoeveel schade dat oplevert. Dat zijn moeilijkere vragen, en die onzekerheden worden vaak gevuld met politiek.

24. Terugkijkend: wat onthulde Climategate over normen in de klimaatwetenschap—zoals het delen van data en peer review—dat echt moest worden hervormd?

Mensen hechten veel te veel waarde aan het label ‘peer reviewed’. Veel mensen dachten: als iets in een peer-reviewtijdschrift staat, dan heeft een team reviewers de data gecontroleerd en de fouten eruit gehaald. Climategate liet zien: zo werkt het meestal niet. Peer reviewers kijken zelden naar de data en proberen zelden analyses te reproduceren. De review kan vrij oppervlakkig zijn.

Een andere verrassing was hoe grote rapporten zoals die van het IPCC, tot stand komen. De retoriek was: er zijn duizenden topwetenschappers die alles zorgvuldig afwegen. In de praktijk zijn het kleine groepjes die secties schrijven en onderling bepalen wat ze willen zeggen. Tegenbewijs kan men makkelijk negeren als men dat wil. Dat gaf mensen een realistischer beeld van hoe zulke rapporten daadwerkelijk worden samengesteld.

25. Heeft u ooit financiering ontvangen vanuit de olie- en gasindustrie voor uw onderzoek?

Nee. Het meeste van mijn onderzoek krijgt helemaal geen financiering. Ik zit nu in een fase waarin ik publieke datasets gebruik en R, dat gratis is. Ik heb geen lab, geen personeel, en hoef geen assistenten te betalen.

De financiering die ik vroeger ontving kwam van de federale overheid, via de Social Sciences and Humanities Research Council. Ik heb één keer een subsidie gehad van een door George Soros gefinancierde organisatie: het Institute for New Economic Thought. Dat was eenmalig.

Verder heb ik al lange tijd geen externe onderzoeksfinanciering, juist omdat ik geen lab run en geen middelen nodig heb.

26. Als je de politiek wegdenkt: wat toont de hockeystick-episode volgens u over de sterke punten en beperkingen van paleoklimaat-reconstructies?

Het punt dat Steve (McIntyre red.) en ik probeerden te maken, is dat de gebruikte methode gebrekkig was—simpelweg fout—en toch door veel wetenschappers werd hergebruikt. Ze namen Mann’s foutieve principal component-algoritme over. Ik denk dat men dat deed omdat men de uitkomst aantrekkelijk vond: het leverde een mooi hockeystick-beeld op.

Het IPCC nam die uitkomst over, terwijl er tegelijkertijd andere reconstructies bestonden die niet hetzelfde beeld gaven. Die werden genegeerd. Men benadrukte de hockeystick en promootte die sterk.

Dat hele incident laat, denk ik, zien (u noemde eerder gemotiveerd redeneren) dat er in de leiding van het IPCC gemotiveerd redeneren plaatsvindt. Men heeft een verhaal dat men wil uitdragen en zoekt actief naar studies die dat ondersteunen. Soms leidt dat tot een juist antwoord, maar hier negeerde men tegenbewijs en steunde men op een foutieve studie. Dat leidde tot verkeerde conclusies.

27. U heeft vaak hogere schattingen van klimaatgevoeligheid betwijfeld. Welke bandbreedte acht u nu het meest robuust—en waarom?

Voor klimaatgevoeligheid verwijs ik liever naar iemand als Nic Lewis, die veel dieper in de statistische analyse zit. In het werk dat John Christy en ik hebben gedaan, hebben we het vooral benaderd vanuit de vraag: welke modellen reproduceren het waargenomen klimaatverloop het best?

Het antwoord is: de modellen met de laagste klimaatgevoeligheid. Zelfs dan zie je, vooral in de midden-troposfeer, nog te veel opwarming en te veel versterking met teoenemende hoogte.

Op basis daarvan zou ik zeggen: de modellen met de laagste klimaatgevoeligheid—momenteel ongeveer in de bandbreedte van 1,8 tot 2,5 °C—zijn degene die het dichtst bij de werkelijkheid lijken te zitten. Dáár zou de focus moeten liggen als we willen begrijpen hoe gevoelig het klimaatsysteem werkelijk is.

In het DOE-rapport bespreken we ook argumenten waarom het systeem mogelijk gevoeliger kan zijn dan sommige modellen suggereren—bijvoorbeeld door toekomstige pattern effects die de gevoeligheid versterken. Dat is belangrijk onderzoek. Maar het belangrijkste pattern effect waarover veel gesproken wordt, betreft een temperatuurgradiënt in de tropische Grote Oceaan. Historische data laten juist het tegenovergestelde zien van wat modellen voorspellen: die gradiënt wordt niet sterker zoals de modellen zeggen dat zou moeten gebeuren. Critici geven wel toe dat dit is wat de data laten zien, maar stellen dat het in de toekomst kan veranderen. Daar sta ik voor open, maar het is op dit moment een zwak argument.

Dit interview werd eerder gepubliceerd op Dungeons of Science, de website van wetenschapsjournalist Manish Koirala.

(Vertaald voor Clintel Foundation door Tom van Leeuwen.)

DEEL DIT ARTIKEL:

Climate Intelligence Clintel

meer nieuws

Alarmistisch verhaal in vakblad aardrijkskunde over ‘stilvallen’ AMOC

Alarmistisch verhaal in vakblad aardrijkskunde over ‘stilvallen’ AMOC Rob de Vos, gepensioneerd docent aardrijkskunde, fileert een stuk in het vakblad voor aardrijkskundedocenten over het mogelijk stilvallen van de Atlantic Meridional Overturning Circulation. “Een eenzijdig en activistisch stuk.” Rob de Vos Datum: 14 [...]

14 november 2025|Categories: Nieuws|Tags: , |

Dr. Fritz Vahrenholt: De flop van Belém

De 30ste klimaatconferentie (COP30) in Belém, Brazilië, verliest volgens professor Fritz Vahrenholt al vanaf het begin aan betekenis. De grootste uitstoters zijn niet op hoog niveau vertegenwoordigd en maar weinig landen zijn transparant over hun klimaatbeleid. Het enige verwachte resultaat is de oprichting van een tropisch regenwoudfonds (TFFF), dat volgens Vahrenholt echter kan uitgroeien tot een financieel moeras.

14 november 2025|Categories: Nieuws|Tags: , , , |
By |2026-01-27T11:57:25+01:0027 januari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Ross McKitrick over klimaatmodellen, economische effecten en het DOE-rapport
Go to Top