Sterk staaltje klimaatalarmisme over zeespiegel
Is de zeespiegel werkelijk veel hoger dan aangenomen, zoals recente berichten suggereren? Een nieuwe studie van Seegers en Minderhoud leidde tot alarmerende krantenkoppen over grotere overstromingsrisico’s langs kusten. In dit artikel bekijken we wat het onderzoek daadwerkelijk laat zien en hoe aannames en rekenmethodes een belangrijke rol spelen in zulke conclusies.
“Sea level much higher than assumed in most coastal hazard assessments” is de titel van een publicatie van Seegers en Minderhoud (hierna S+M) die vorige week openbaar werd. Onmiddellijk volgden alarmistische berichten in de pers. Zo schreef de NOS: “Door een verkeerde aanname staat de zeespiegel langs kusten wereldwijd veel hoger dan wetenschappers tot nu toe dachten…. Tientallen miljoenen mensen méér lopen daardoor het risico dat hun leefgebied overstroomt. Omdat de zeespiegel door klimaatverandering nog altijd verder stijgt, is er mogelijk ook minder tijd voor het versterken van kusten.” Alarmisme zonder gêne lijkt me. Laten we eens kijken wat hier aan de hand is.
De zeespiegelhoogte (of zeespiegelverandering) wordt via meerdere methoden bepaald, namelijk met behulp van getijdenstations, satelliet-altimetrie en met behulp van zeespiegelbudgetten.
Verreweg de minst gecompliceerde zijn de metingen op getijdenstations. Daarvan zijn ruim 1500 meetreeksen beschikbaar, voor een deel van grote lengte. Nadelen zijn het feit dat gemeten wordt ten opzichte van de landhoogte van het station (relative sea level) en de ruimtelijke spreiding over de aarde ongelijk is. De recente publicatie van Hessel Voortman en Rob de Vos maakte gebruik van getijdendata. Die relatieve zeespiegelmetingen zijn wel weer van belang als het om ‘coastal hazard assessments’ gaat, het voorkomen van overstromingen.
Satelliet-altimetrie vindt sinds 1992 plaats. Satellieten meten met radar de afstand tussen satelliet en zeeoppervlak. Voordelen zijn dat de absolute zeespiegel gemeten wordt met wereldwijde dekking. Nadelen zijn de korte meetreeks waardoor de metingen sterkt beïnvloed worden door langjarige getijdencycli. Bovendien is de noodzakelijke kalibratie erg complex en onzeker, waardoor de kwaliteit van meetdata ter discussie staat.
De derde methode is die van zeespiegelbudgettering (massabalans). Hiermee wordt niet gemeten maar wordt de verandering van de zeespiegel berekend uit fysische oorzaken, zoals thermische uitzetting en het smelten van gletsjers en ijskappen. Nadelen zijn dat men afhankelijk is van meerdere datasets en modellen.
We kijken in dit artikel naar het gebruik van satelliet-altimetrie, waar het volgens S+M flink mis ging. Hoe werkt satelliet-altimetrie?
Fig.1 Bron: wikipedia
Figuur 1 toont de relatie tussen het topografisch oppervlak (de werkelijke vorm van de Aarde), de geoïde en een referentie-ellipsoïde. Bij satellietmetingen van de zeespiegel speelt de geoïde een centrale rol. Zonder een goed model van de geoïde kun je uit satellietmetingen namelijk niet bepalen wat de “echte” hoogte van het zeeoppervlak is. Er zijn diverse geoide-modellen in gebruik.
Satellieten voor radar-altimetrie doen in principe twee metingen: de hoogte meten van de satelliet t.o.v. het referentie-ellipsoïde en de afstand van satelliet naar zeeoppervlak meten. In formule: Sea Surface Height = satellietbaanhoogte – radarafstand. Daarmee krijg je de hoogte van het zeeoppervlak t.o.v. een wiskundig referentie-ellipsoïde (een glad model van de aarde, zie figuur 1).
De geoïde is het vlak met gelijk zwaartekracht,- ongeveer overeenkomend met het gemiddelde oceaanoppervlak als er geen stromingen, wind of getijden zouden zijn. Het is de “natuurlijke nulhoogte” van de oceanen, bepaald door variaties in het zwaartekrachtsveld van de aarde. De geoïde is niet vlak maar hij varieert wereldwijd tot ongeveer ±100 m door massaverschillen van aardkorst en mantel.
De satelliet meet -zoals hiervoor al gesteld werd- eerst de Sea Surface Height (SSH) t.o.v. het ellipsoïde. Daarna wordt de geoïde eraf getrokken: Dynamic Sea Surface = SSH – Geoïde. Wat overblijft is de dynamische topografie van de oceaan, de hoogteverschillen die veroorzaakt worden door temperatuur, zoutgehalte, oceaanstromingen en wind.
Als u het al complex vindt, het wordt nog moeilijker. Belangrijk voor de zeespiegelhoogte en trends zijn correcties voor drift van de satellietinstrumenten, baanfouten, atmosferische vertraging in ionosfeer en troposfeer, en getijdencorrecties. Verder is lastig dat satellieten moeite hebben met het meten van de zeehoogte nabij kusten. Het nabije vasteland verstoort het signaal.
Fig.2 Bron: NOS
In het videootje van het bericht van NOS laten S+M zien waardoor het bij veel publicaties fout ging, namelijk bij de verticale metingen van zeehoogte en landhoogte door satellieten het combineren van beide datareeksen. Ze onderzochten 385 studies op het gebied van ‘ coastal hazard assessments’. Veel studies maken fouten in de gebruikte methodiek bij het berekenen van de zeespiegelhoogte waardoor die vaak te laag wordt berekend.
S+M beschrijven de problematiek als volgt:
“… the best available elevation data for the vast majority of the coastal areas worldwide is satellite-based… However, spaceborne DEMs [digital elevation models] can have vertical errors up to several metres, contain sensing or interpolation artefacts, or are outdated, thereby affecting the quality of coastal hazard assessments, especially in flat, subsiding coastal plains and densely populated river deltas.
Apart from considering vertical uncertainty of elevation data, using DEMs in coastal hazard assessments requires correctly combining coastal elevation with local sea-level height and the proper conversion to a common vertical reference frame. Through a systematic review evaluating recent SLR impacts and coastal hazard assessment studies, we found that these crucial steps were often not considered or performed incorrectly. Rather than considering actual, local sea-level height, coastal sea level is most often assumed to equal (an often outdated) global geoid (or in some instances even ellipsoid), to which open-access global DEMs are typically referenced when provided.
A geoid is an equipotential surface model that approximates MSL based on gravity and the rotation of Earth. As geoid quality depends on gravity observations, uncertainties in global geoid models can range up to several metres in regions that suffer from gravitational data paucity, predominantly located in the Global South. Moreover, actual sea-surface height is not just determined by the gravity and rotation of Earth, but also by, for example, ocean currents and large-scale circulation, winds, tides, seawater temperature and salinity. As a result, time-average sea-surface height can deviate strongly (up to several metres) from a geoid, and its difference is the so-called mean dynamic topography (MDT).”
Fig.3 Bron: Seegers & Minderhoud
Figuur 3 laat zien of de 385 studies die door S+M bestudeerd werden de diverse stappen in het onderzoek correct doorlopen hebben. Al bij de eerste stap (vertical datum documentation) gaat het bij 73,3% van de studies niet goed. Na de laatste stap (sea level reference) blijkt dat slechts 0,3% (1 paper!) van de 385 onderzoeken correct werk leverden). Maar liefst 303 van de 385 studies kregen een rode vlag. De auteurs: “ Our findings reveal a community-wide blind spot, which calls for a systemic change in how we deal with sea-level and (coastal) land elevation data in the global scientific community and beyond.”
Ik verbaas me over dit volledig gebrek aan zelfcorrectie in de zeespiegelcommunity, die er als de kippen bij is wanneer onderzoekers een paper publiceren waarvan de uitkomst niet binnen het narratief van de community past, maar wel honderden publicaties ,met onjuiste berekeningen zonder enige kritiek hebben laten passeren. Of eigenlijk verbaast het me juist niet, want het is juist dié houding die er voor zorgt dat fouten niet tijdig worden opgespoord en gecorrigeerd.
Onderzoeker Marjolein Haasnoot spreekt in genoemd NOS-artikel van “een superbelangrijke studie die belangrijke inzichten geeft“. “Maar” zegt ze, “ de uiteindelijke hoofdboodschap over zeespiegelstijging wordt niet heel anders.” De science is blijkbaar settled.
In hetzelfde NOS-artikel stelt Minderhoud dat hij verwacht dat met de nieuwe data armere landen sneller hulp kunnen krijgen bij maatregelen tegen stijgend zeewater. Hij stelt: “De president van de Malediven gaat vaak naar VN-conferenties en vraagt dan om aanpassingen die kwetsbare gemeenschappen kunnen beschermen. Maar dan zegt men bijvoorbeeld: het valt wel mee, het water staat volgens de officiële rapporten slechts tot uw enkels. En dan krijgt hij, bij wijze van spreken, een paar zandzakken. Terwijl hij een veel groter plan nodig heeft voor de bescherming van zijn eilanden.”
Fig. 4 Bron: NASA
Hier maakt Minderhoud twee fouten. Niet alleen weet hij blijkbaar nú al hoe die correcties van die honderden publicaties gaan uitvallen, maar ook zijn voorbeeld van de Malediven eilanden die langzaam onder de golven verdwijnen is de afgelopen jaren door diverse publicaties naar het rijk der fabelen verwezen. Een samenvatting van die kwestie door NASA is hier te vinden.
NASA: “There is one piece of positive news: natural processes on coral reef atolls (like those in the Maldives) might make the islands more resistant to sea level rise than their low elevations might initially suggest. Multiple studies, many of which use Landsat observations, show that most coral atoll islands in the Maldives and elsewhere have remained stable or even grown larger in recent decades.”
In de abstract lees ik: “Based on our literature evaluation, 90% of the hazard assessments assume coastal sea levels based on geoid models, rather than using actual sea-level measurements.” Die ‘sea-level measurements’ zijn in de publicatie van S+M de uitkomsten van zeer ingewikkelde berekeningen op basis van satellietdata. Ze schrijven:
“A potential explanation for the encountered vertical datum issues may be the current constellation that leaves complex geodetic transformations, required to correctly use elevation data for coastal hazard assessments, in the hands of non-specialist end users unfamiliar to the required processing steps. One solution to avoid future errors from omitted or wrongly performed datum conversion and sea-level referencing may lie in the hands of the data providers, which could provide readily combined products of digital terrain with sea level to facilitate proper end use, as we do so in this paper”.
Misschien is deze ‘oplossing’ het beste te vergelijken met het verschil tussen zelf brood bakken en afbakbroodjes uit de supermarkt opwarmen.
Wat in de publicatie van Seegers en Minderhoud duidelijk is, is dat de ‘fouten’ met name gezocht worden in de wijze waarop omgegaan wordt met de satelliet meetdata . Nergens wordt bepleit om ook de kwaliteit van die satellietdata te onderzoeken. Ik schrijf hier ‘data’ omdat de transformatie van meetgegevens naar sea level data zoals gezegd zeer complex is.
Fig.5 Bron: NOAA
Van die complexiteit hebben zeespiegelmetingen op getijdenstations geen last. De kwaliteit van die getijdenmetingen staat niet ter discussie: ‘what you see is what you get’. Een ander voordeel van getijdenmetingen is dat ze de zeehoogte direct meten ten opzichte van het land ter plaatse, ze meten de relative sea level. En het is juist die relatieve zeespiegel die van belang is bij de ‘coastal hazard assessments’ die centraal staan in de publicatie van S+M.
Tot slot terug naar het NOS-bericht:
“Door een verkeerde aanname staat de zeespiegel langs kusten wereldwijd veel hoger dan wetenschappers tot nu toe dachten: gemiddeld zo’n dertig centimeter hoger. Op sommige plaatsen in Zuidoost-Azië zelfs tot anderhalve meter hoger. Tientallen miljoenen mensen méér lopen daardoor het risico dat hun leefgebied overstroomt. Omdat de zeespiegel door klimaatverandering nog altijd verder stijgt, is er mogelijk ook minder tijd voor het versterken van kusten.”
Een sterk staaltje van klimaatalarmisme, wellicht ingegeven door de manier waarop S+M over de kwestie berichten. De zeespiegel die veel hoger staat dan wetenschappers tot nu toe dachten? Ik durf te wedden dat aan de reële zeehoogte langs al die oceaankusten op aarde ondanks de publicatie van S+M de afgelopen week helemaal niets is veranderd. Dat de kaarten die wetenschappers maken en gebruiken verbeterd zullen worden mag ik hopen. Die ‘tientallen miljoenen mensen méér’ die het risico zouden lopen in het water te verdwijnen is een pakkende uitspraak die weinig zegt maar het blijkbaar wel goed doet, gezien de publiciteit.
Fig. 6 Bron: Voortman & De Vos
De grafiek van figuur 6 is afkomstig van de zeespiegelpublicatie van Voortman en De Vos. Van de 204 bruikbare langjarige zeespiegelreeksen uit de PSMSL databank is de gemiddelde relatieve zeespiegelstijging 1,4 mm/jaar en de mediaan 1,5 mm/jaar. Van de 204 stations vertonen er 195 géén versnelling. S+M rekenen in hun publicatie met een zeespiegelstijging van 1m. Als die gemiddelde zeespiegelstijging van 1,4 mm/jaar zoals door Voortman en De Vos gemeten zich voortzet zal het ruim 700 jaar duren voordat die 1m zeespiegelstijging bereikt is. Maar zelfs al zou de zeespiegelstijging meer dan verdubbelen dan is er nog ruim voldoende tijd om over oplossingen na te denken, lijkt me.
Dat “Zeeniveau veel hoger dan aangenomen” in de titel van de publicatie van S+M slaat duidelijk veel meer op dat ‘aangenomen’ (door wetenschappers) dan op het zeeniveau zelf.
meer nieuws
De ineenstorting van de energietransitie kan leiden tot een wereldwijde tweedeling
Volgens Vijay Jayaraj zou 2025 wel eens het jaar kunnen worden waarin het verhaal van de energietransitie uiteenspatte. De energiegiganten keken naar de rand van de afgrond en weigerden uiteindelijk te springen.
Meteoroloog Ryan Maue: “Duitsland redt het niet” als de winter streng wordt
Ryan Maue waarschuwt op X dat als de winter van 1962-1963 zich opnieuw zou voordoen in het huidige Europese energiesysteem, “Duitsland het niet zal redden”. Het land kampt dan met “uitzonderlijke energietekorten”.
IEA geeft toe dat fossiele brandstoffen keihard nodig blijven
Het Internationaal Energieagentschap (IEA) erkent in zijn nieuwste prognoses wat critici al jaren stellen: fossiele brandstoffen blijven onmisbaar. In dit artikel laat Vijay Jayaraj zien hoe harde cijfers de ‘netto-nul’-illusie ondermijnen en waarom olie en gas tot ver na 2050 een centrale rol zullen spelen.












