Versnelt de zeespiegel langs de Amerikaanse kust?
Rob de Vos laat in dit artikel zien hoe vermeende klimaatfeiten bij nader inzien vaak anders uitpakken wanneer de onderliggende data zorgvuldig worden geanalyseerd.
Ik las een nieuwe publicatie over de zeespiegel aan de Amerikaanse kust getiteld “The Rate of U.S. Coastal Sea‐Level Rise Doubled in the Past Century”. De auteur, Chris Piecuch, reageert hiermee op het zogenaamde DoE rapport van de hand van Christy et al., getiteld “ A Critical Review of Impacts of Greenhouse Gas Emissions on the U.S. Climate”. Daar heb ik al enkele malen over geschreven, onder andere hier .
Getijdenmetingen vanaf midden 19e eeuw laten zien dat er mondiaal sprake is van zeespiegelstijging. Die stijging is het gevolg van thermosterische zeespiegelstijging (door opwarming en uitzetting van de oceaan) en van barystatische zeespiegelstijging (door afsmelten van landijs en andere veranderingen in de waterkringloop). Daarnaast kan de RSL (relative sea level) worden beïnvloed door een aantal lokale en regionale processen, zoals veranderingen in oceaandynamica, luchtdruk en zwaartekracht en rotatie en vervorming van de aarde.
In deze video legt Piecuch uit wat er volgens hem schort aan de zeespiegelparagraaf in het DoE rapport. De conclusie van de auteurs van het DoE rapport is dat de getijdenstations in de V.S. geen duidelijke versnelling laten zien in de stijging van het zeeniveau. Piecuch concludeert in zijn paper dat die conclusie in het DoE rapport grotendeels gebaseerd op een oppervlakkige analyse van een klein aantal getijdenreeksen waarvan bekend is dat ze niet representatief zijn voor grootschalig RSL-gedrag.
Fig.1 Bron: Piecuch 2025
Hij maakte gebruik van 70 getijdenreeksen aan de kusten van continious US (de 48 aaneengesloten staten). Die reeksen combineerde hij -na bewerking- tot één ensemble, CONUS RSL genaamd (figuur 1).
Zijn methodiek in het kort: datagaten werden aangevuld, grootschalige regionale signalen werden geschat en kleinschalige lokale ruis in de getijdenreeksen werd verwijderd via Bayesiaanse data-analyse. Dit leverde ruimtelijk en temporeel volledige zogenaamde posterior–schattingen op van jaarlijkse RSL-veranderingen en hun onzekerheden op een raster van 0,5° × 0,5° over de periode 1900–2024. Door jaarlijks het ruimtelijk gemiddelde over de gehele contigious kustlijn te berekenen uit de gerasterde posterior-schatting, genereerde hij een tijdreeks van de RSL die in figuur 1 afgebeeld is.
Piecuch concludeert: “I find that long‐term rates of CONUS RSL rise doubled in the past century, from about 1.7 mm/yr in 1900 to roughly 4.3 mmyr in 2024, and that recent rates are higher than the longterm historical mean rate since 1900, which is approximately 3.0 mm/yr. That is, CONUS tide gauges give obvious evidence of RSL acceleration, which is likely related to ongoing climate change”.
In de grafiek is inderdaad te zien dat er tweemaal sprake is van een trendbreuk van de zeespiegelstijging, namelijk rond 1925 en 2012. Het is opmerkelijk dat Piecuch een flinke versnelling in de zeespiegelstijging aan de Amerikaanse kust denkt te zien en Voortman en De Vos in hun recente zeespiegelpublicatie die niet hebben waargenomen.

Fig.2 Bron: Journal of Marine Science and Engineering
Het kaartje van figuur 2 is afkomstig uit de publicatie van Voortman en De Vos. Getijdenstations moesten voldoen aan drie criteria: tijdreeksen van tenminste 60 jaar lengte, minstens 80% van de data compleet en minstens t/m 2015 doorlopend.
Met name het eerste criterium is van belang om te voorkomen dat langjarige cycli (zoals de nodale cyclus van 18,61 jaar) van invloed zijn op de trend en daarmee suggereren dat er sprake is van een versnelling. In de wetenschappelijke literatuur is daar uitgebreid over geschreven.
Van de ruim 1500 getijdenreeksen in de database van PSMSL bleken 204 reeksen te voldoen aan de drie genoemde criteria van Voortman en De Vos. Dat zijn de gekleurde tekens in figuur 2. De kleuren tonen het langetermijntempo van zeespiegelstijging op basis van getijdenmetingen. Rondjes zijn de 195 stations op aarde die géén versnelling vertonen, driehoekjes de 9 stations die wél een versnelling vertonen. De kruisjes zijn de stations die niet voldeden aan een of meer van de drie criteria. Voor elk van de 204 stations is gemeten of er sprake is van een versnelling in de getijdenreeks. De gehanteerde methodiek is beschreven in de publicatie.
Zoomt men in figuur 2 in op contiguous US, dan is te zien dat op basis van de gehanteerde criteria 31 bruikbare Amerikaanse getijdenstations gevonden werden. Van die 31 stations blijken 30 stations géén versnelling te vertonen, 1 station aan de Gulf Coast (Pensacola) wel. Die uitzonderlijke situatie van Pensacola is voldoende beschreven in de literatuur. Piecuch is een andere mening toegedaan en schrijft: “… CONUS tide gauges give obvious evidence of RSL acceleration, which is likely related to ongoing climate change.”
Een belangrijk verschil tussen de methodiek van Piecuch en Voortman en De Vos is dat de laatsten statistische toetsen uitvoerden op alle geselecteerde datasets, met de versnelling van de zeespiegelstijging als hypothese. Ongeveer 95% van de geschikte locaties vertoonden geen statistisch significante versnelling van de snelheid van de zeespiegelstijging. Ontbrekende data werden niet modelmatig aangevuld, alleen observaties doen mee.
Fig.3 Bron: Piecuch
Piecuch gebruikte ook de gemeten getijdendata maar vulde met behulp van een Bayesiaans model bijna alle getijdenreeksen aan, zodat alle reeksen even lang werden met als startjaar 1900. Daardoor ontstonden 70 tijdreeksen van gelijke lengte, waarvan gemiddeld 41% van de data geschat is met behulp van een Bayesiaanse model. Voor sommige korte reeksen loopt het aandeel van de geschatte data zelfs op tot meer dan 70%!
Figuur 3a laat zien dat Piecuch uitgaat van 70 actieve getijdenstations met >30 jaren data. Dat houdt in dat hij -anders dan Voortman en De Vos- ook kortere tijdreeksen (van 31-60 jaren) bij zijn onderzoek betrekt.
Figuur 3b toont de sea level rise van 1900-2024 van de 70 door Piecuch gebruikte data. De trendverschillen tussen de West Coast (laag), East Coast (gemiddeld)en het centrale deel van de Gulf Coast (hoog) zijn opvallend groot. Dat zagen we ook al in de publicatie van Voortman en De Vos (figuur 4).
Fig.4 Bron: Voortman en De Vos
Die verschillen tussen de drie kusten zijn voor een groot deel te verklaren door verschillen in verticale bodembeweging tussen de drie regio’s, zoals figuur 5 toont:
Fig.5 Bron: SONEL
Omdat de verticale bodembewegingen langs de US kusten over het algemeen van geologische oorsprong en dus langjarig zijn, is te verwachten dat deze niet de oorzaak zijn van de door Piecuck geobserveerde zeespiegelversnelling, maar dat deze het gevolg is van de door hem gehanteerde methodiek.
Piecuch baseert zich bij de constructie van zijn CONUS RSL grafiek sterk op de uitkomsten van een Bayesiaans model. Bayesiaanse statistiek is een benadering waarbij kansen worden gezien als een mate van geloof en continu worden bijgewerkt met nieuwe informatie, om eerdere kennis (de ‘prior’) te combineren met nieuwe data (de ‘likelihood’) om tot een verfijnde, ‘posterior’ conclusie te komen. Dit in tegenstelling tot traditionele methoden die zich puur op data focussen, zoals Voortman en De Vos doen.
Voor het vullen van een klein ‘gat’ in een getijdenreeks is de Bayesiaanse statistiek prima, maar dat wordt anders als een groot (oudste) deel van een getijdenreeks ontbreekt. De onzekerheid groeit lineair terug in de tijd. Met Bayesiaanse methodiek kun je de trend alleen reconstrueren onder expliciete, externe aannames, en die worden terug in de tijd steeds schaarser. Een versnelling is met behulp van Bayesiaanse methodiek zelfs niet of nauwelijks identificeerbaar en alleen verdedigbaar met heel sterke externe klimaatinformatie. En dat laatste ontbreekt in de paper van Piecuch.
Fig.6 Bron: Piecuch 2025
De grafieken van figuur 6 laten zien dat de ontbrekende data (zwarte lijn) aan het begin van de stations Monterey, Fort Pulaski en Nantucket worden ‘aangevuld’ aan de hand van de gemeten data (rode lijn) van respectievelijk San Francisco, Fernandina Beach en New York (The Battery). Voor Monterey betekent dit dat de periode 1900-1974 Bayesiaans wordt ingevuld aan de hand van de gemeten zeespiegeldata van San Francisco (144 km afstand). Dat geldt m.m. ook voor de ontbrekende data 1900-1965 van station Nantucket en New York (The Battery, 335 km afstand) en Fort Pulaski en Fernandina Beach (157 km).
Laten we de eerste trendbreuk rond 1925 (figuur 1) in de CONUS RSL reconstructie van Piecuch bekijken. Het verloop van de grafiek in de periode 1900-1925 is nagenoeg horizontaal.
Fig. 7
Om te zien of dat horizontale verloop ook terug te vinden is in gemeten getijdendata kijken we naar de langste tijdreeksen. Van de door Piecuch gebruikte 70 getijdenreeksen zijn er slechts 6 (nagenoeg) compleet vanaf 1900, namelijk Seattle, San Francisco, San Diego, New York, Philadelphia en Baltimore (kaartje figuur 7). Dat betekent dat die getijdenreeksen nagenoeg gevrijwaard zijn gebleven van ‘ingevulde’ Bayesiaanse schattingen. Het lineaire verloop van de trend in figuur 1 van 1900-1925 zou dan terug te vinden moeten zijn in de data van deze 6 stations, maar dat is niet het geval.
Fig.8 Data: PSMSL
De lineaire trendlijnen (rood) in de grafieken van figuur 8 geven de beste fit, een trendbreuk rond 1925 is in alle 6 grafieken afwezig. Die trendbreuk in de grafiek van Piecuch wordt dus niet gesteund door observaties. Dan kan het niet anders dan dat de trendbreuk van 1925 in figuur 1 het gevolg is van het Bayesiaans ‘invullen’ van ontbrekende jaardata in (een deel van) de overige 64 getijdenreeksen.
Fig.9 Bron: Yin 2023
De tweede trendbreuk in figuur 1 (rond 2012) ontbreekt in alle getijdenreeksen van de stations aan de gehele West Coast, Northern East Coast en Western Gulf Coast. Alleen aan de oostelijke Gulf Coast en South East Coast is er wél sprake van een duidelijke verhoging van de zeespiegelstijging vanaf 2012:
Fig.10 Bron: Yin 2023
Mogelijke oorzaken zijn opwarming van de Florida Current en grootschalige veranderingen in de ‘Atlantic Warm Pool’. Temperatuurverandering van het water dat wordt aangevoerd door oceaanstromingen nabij de oostkust van de Verenigde is een belangrijke factor voor zeespiegelveranderingen in deze regio. Het gevolg is grote regionale verschillen in zeespiegeltrend tussen de West Coast, North East Coast, South East Coast en Gulf Coast.
Doordat Piecuch de door hem geconstrueerde tijdreeksen langs de gehele Amerikaanse kust samenvoegt tot één tijdreeks (grafiek figuur 1) verdwijnen de regionale verschillen. Daardoor wekt Piecuchs CONUS RSL de schijn dat er rond 2012 langs de gehele kustlijn van continious USA sprake is van een trendbreuk rond 2012, wat niet het geval is.
Conclusies
De publicatie van Voortman en De Vos (2025) is een van de eerste mondiale studies naar zeespiegelstijging die uitsluitend gebruik maakt van getijdendata. Getijdendata zijn de enige echte directe meetgegevens die ver genoeg teruggaan (tot het midden van de 19e eeuw) om vast te stellen of de zeespiegelstijging is versneld, vertraagd of constant is gebleven. Ze zijn verkregen door relatief eenvoudige observaties, zoals zoals het aflezen van thermometers.
Van de ruim 1500 getijdenreeksen die PSMSL in beheer heeft voldeden 204 aan de criteria die Voortman en De Vos stelden. Van die 204 reeksen op aarde vertoonden 195 stations geen versnelling. Van de overige stations die wél een versnelling vertoonden was dat het gevolg van lokale bijzonderheden, zoals grondwateronttrekkingen of tektoniek. Langs de kusten van continious USA vonden Voortman en De Vos 31 bruikbare getijdenreeksen, waarvan er 30 géén versnelling vertoonden.
Geheel anders van aard was het onderzoek van Piecuch (2025) naar de zeespiegel aan de kusten van continious USA. Piecuch gebruikte 70 getijdenreeksen waarvan er 6 rond 1900 of eerder beginnen. De overige reeksen werden vanaf 1900 aangevuld (41%) met behulp van door een Bayesiaans model geschatte cijfers. Op die manier werden tijdreeksen van gelijke lengte geconstrueerd. Tenslotte werden alle op deze wijze verkregen tijdreeksen samengevoegd tot één tijdreeks, de CONUS RSL. Die grafiek vertoont zoals we zagen wél een versnelling.
Nu zijn er de afgelopen jaren diverse bewijslijnen ontwikkeld op basis waarvan er uitspraken worden gedaan over versnelling van de zeespiegel. Altimetrie (satellietmetingen) is er een van, reconstructies op basis van modellen zoals Piecuch doet, budgettering (het volledig te verklaren door alle fysische bijdragen afzonderlijk te kwantificeren en op te tellen) en het gebruik van proxies en geologische data. Maar al deze bewijslijnen zijn indirecte methodes.
Satellietaltimetrie laat inderdaad versnelling zien over de afgelopen 33 jaar, maar dat is te kort om meer dan een eeuw aan getijdemetergegevens te vervangen. Bovendien moeten satellietmetingen voortdurend worden gecorrigeerd voor instrumentdrift, orbitale fouten, atmosferische druk, waterdamp et cetera. Zie o.a. hier.
Zeespiegel-budgettering is het systematisch opdelen en optellen van alle bekende bijdragen aan mondiale zeespiegelstijging om te controleren of deze samen de waargenomen stijging verklaren. Het is een model-afhankelijk instrument, belangrijk voor begripsvorming, maar géén vervanging voor directe langetermijnmetingen.
Ruimtelijk-temporele reconstructies combineren observaties met klimaatvariabelen, correlatiestructuren en regionale vingerafdrukken. Maar dat is niet hetzelfde als zeespiegelhoogten direct waarnemen op getijdenstations.
Al deze methodes zijn geen station-voor-station getijdenanalyses zoals Voortman en De Vos deden. Het zijn reconstructies en syntheses die versnelling pas laten zien na correcties, aanpassingen, invulling van data en sluiting van budgetten.
De bekende Amerikaanse publicist Michael Schellenberger dook naar aanleiding van de paper van Voortman en De Vos in de ‘jungle’ van zeespiegelonderzoek en schreef er een pittig artikel over. Hij emailde met zeespiegeldeskundige prof. Kopp en verscheen op diverse kanalen:
meer nieuws
De ineenstorting van de energietransitie kan leiden tot een wereldwijde tweedeling
Volgens Vijay Jayaraj zou 2025 wel eens het jaar kunnen worden waarin het verhaal van de energietransitie uiteenspatte. De energiegiganten keken naar de rand van de afgrond en weigerden uiteindelijk te springen.
Meteoroloog Ryan Maue: “Duitsland redt het niet” als de winter streng wordt
Ryan Maue waarschuwt op X dat als de winter van 1962-1963 zich opnieuw zou voordoen in het huidige Europese energiesysteem, “Duitsland het niet zal redden”. Het land kampt dan met “uitzonderlijke energietekorten”.
IEA geeft toe dat fossiele brandstoffen keihard nodig blijven
Het Internationaal Energieagentschap (IEA) erkent in zijn nieuwste prognoses wat critici al jaren stellen: fossiele brandstoffen blijven onmisbaar. In dit artikel laat Vijay Jayaraj zien hoe harde cijfers de ‘netto-nul’-illusie ondermijnen en waarom olie en gas tot ver na 2050 een centrale rol zullen spelen.















