Zware neerslag in Nederland

In een recent artikel schreef het KNMI over zware neerslag en klimaatverandering. Maar volgens Rob de Vos zit neerslag complexer in elkaar dan het KNMI daarin doet voorkomen.

Zware neerslag in Nederland: complexer dan het KNMI stelt

Regenbui in Rotterdam (Bron: Shutterstock)

Rob de Vos
Datum: 17 juni 2026

DEEL:

Fig.1   Bron: KNMI

Op 10 juni 2026 plaatste het KNMI een artikel van Peter Siegmund met bovenstaande titel op de KNMI website. Acht jaar eerder, in 2018, schreven Marcel Crok en ik een rapport onder de titel “Waarom KNMI scenario’s niet zullen uitkomen”, waarin zware neerslag uitvoerig is behandeld.

Het KNMI was destijds in zijn klimaatscenario’s nogal alarmistisch over zware neerslag  (en ook over andere weersaspecten), en ik veronderstelde dat we daar in ons rapport van 2018 vakkundig mee afgerekend hadden. Ook het recente verdwijnen van het RCP 8.5 horrorscenario waar de KNMI scenario’s zwaar op leunde zou een frisse wind  door De Bilt doen kunnen waaien. Het artikel van 10 juni j.l. toont echter aan dat het KNMI het spelen op de alarmistische fluit nog niet is verleerd.

Trend

Fig.2   Bron: KNMI

De linker grafiek toont het aantal dagen per jaar met zware neerslag, dat is als er  ≥50 mm regen in één etmaal (24 uur) valt. Ik betwist niet dat het aantal dagen met zware neerslag in recente tijd is toegenomen, dat is duidelijk. Maar de trendlijn valt op: de ‘knik’ valt te vroeg (begin jaren ’80) en de trendlijn blijft daarna omhoog lopen terwijl het aantal dagen met zware neerslag gedurende de afgelopen 25 jaar niet gestegen is.

Fig.3   Data: KNMI

Door het gebruik van die KNMI trendlijn suggereert Siegmund dat het aantal dagen met zware neerslag alsmaar toeneemt, ook al laten de onderliggende cijfers iets anders zien. Ik heb geprobeerd om de trendlijn in de KNMI grafiek (figuur 2 links) te reproduceren, maar dat is niet gelukt. Een betere fit geeft de loess (α=0.33) smoothing in figuur 3 (oranje lijn). De knikken zitten nu visueel op de juiste plek en vanaf begin deze eeuw stijgt de trend niet meer.

P13

Omdat ik niet beschik over een supercomputer is het downloaden van data van alle gebruikte neerslagstations (figuur 2 rechts) schier onbegonnen werk. In plaats daarvan bekeek ik de neerslaggegevens van de zogenaamde P13 stations. P13 is de verzamelnaam voor een representatieve groep van 13 officiële neerslagstations van het KNMI. Die stations zijn: De Bilt, De Kooy, Groningen, Heerde, Hoofddorp, Hoorn, Kerkwerve, Oudenbosch, Roermond, Ter Apel, West-Terschelling, Westdorpe en Winterswijk.

Fig.4   Data: KNMI

Figuur 4 toont  de gemiddelde jaarlijkse neerslag van de P13 stations plus de loess trendlijn over de periode 1951-2025. De loesslijn stijgt vanaf medio jaren ’70 tot ~2000 en blijft daarna nagenoeg vlak, zoals ook in figuur 3. Opvallend hoog zijn die zeer natte jaren 2023 en 2024.

Fig.5   Data: KNMI

De grafiek van figuur 5 laat zien dat er vanaf ~1995 sprake is van een toename van het aantal zware neerslagdagen. Dat kan het gevolg zijn van stijgende temperaturen, maar ook van een gewijzigde luchtcirculatie. Zie voor dat laatste het recente artikel “Warmere lentes: CO2 of zonlicht?” over de klimaatshift eind jaren ’80. Weliswaar is op 14 september 1998 de hoogste neerslag gemeten (95,3 mm), maar de nummers twee en drie zijn 4 juli 1952 (92,6 mm) en 12 juli 1942 (92,8 mm, buiten de grafiek). De extremen worden niet extremer.

Dat een hoge jaarlijks neerslag niet altijd samen gaat met veel dagen met zware neerslag wordt duidelijk als we die twee natte jaren 2023 en 2024 bekijken in figuur 5. Figuur 5 geeft voor de P13 stations de etmalen weer met zware neerslag. Opvallend is dat die zeer natte jaren 2023 en 2024 in deze grafiek respectievelijk 0 en 4 dagen met zware neerslag tonen. Een hoge jaarlijkse neerslag wil blijkbaar niet zeggen dat dat automatisch betekent dat er in die jaren veel dagen met zware neerslag geregistreerd zijn.

Clausius-Clapeyron relatie

Zonder de namen Clausius en Clapeyron in zijn artikel te noemen verwijst Siegmund daar wel naar als hij stelt “Per graad opwarming kan de lucht ongeveer 7 procent meer waterdamp bevatten. Daarom gaan we ervan uit dat buien ook 7 procent meer neerslag geven per graad opwarming.”

Dat er gemiddeld meer neerslag valt als de dauwpuntstemperatuur  (TD) hoger is ligt fysisch voor de hand. Wanneer de grenslaag onder de wolkenbasis meer waterdamp bevat kun je ervan uitgaan dat er uiteindelijk meer neerslag ontstaat. Een hoge TD vier uur vóór een bui wijst op hoge vochtigheid. Dauwpuntstemperaturen boven zo’n 15–18 °C duiden op verzadigde luchtmassa’s die buien kunnen versterken, zeker als er nog lichte convectie aanwezig is. Bij TD in de buurt van 20–25 °C, vooral samen met stijgende temperatuur en vochtige atmosferische condities, kunnen buien uitgroeien tot zware neerslag.

Om te bezien of er een correlatie is tussen de hoogte van de neerslag uursom bij hevige buien en de dauwpuntstemperatuur heb ik van de uursomreeks van De Bilt 1951-2016 alle uursommen van > 20mm afgezet tegen de dauwpuntstemperatuur vier uur voorafgaande aan de uursom.  Een bui heeft immers tijd nodig om zich te ontwikkelen.

Fig.6   Data: KNMI

Station De Bilt telde in de periode 1951-2025 maar liefst 29 buien met uursommen van > 20mm. Bij een uursom van > 20mm gaat het om zeer zware buien. Die vergeleek ik met de dauwpuntstemperatuur,  gemeten 4 uren vóór elke hevige bui. Als er een correlatie zou zijn tussen dauwpuntstemperatuur en de neerslag uursom zou de puntenwolk diagonaal verlopen. De grafiek laat zien dat dit niet het geval is.

Nu gaat het hier natuurlijk maar om één station, maar de data zijn duidelijk. Het is daarom de vraag of Clausius-Clapeyron wel generiek toepasbaar is. Ik denk dat dat voor lokale neerslag niet het geval hoeft te zijn en misschien zelfs wel onwaarschijnlijk is. Anders zou -kort gezegd- overal in de wereld bij eenzelfde temperatuur dezelfde hoeveelheid neerslag vallen. En dat is zeker niet het geval.

Martinkova & Kysely (2020) concluderen in hun paper Overview of Observed Clausius-Clapeyron Scaling of Extreme Precipitation in Midlatitudes” dat de volgende factoren mee kunnen spelen bij het afwijken van de Clausius-Clapeyron schaal: de beschikbaarheid van vocht, het type neerslag, de jaarlijkse seizoenscyclus het gekozen percentiel van de neerslagintensiteit en regionale weerspatronen.

Extreme neerslag treedt blijkbaar op onder omstandigheden waarbij niet alleen lokale thermodynamische wolkenvormingsprocessen zoals convectie meespelen maar ook grootschalige atmosferische processen, zoals fronten. Zo ontstaan extreme buien in de zomer vaak vlak voor een frontale zone: een warme periode wordt vaak afgesloten door zware (onweers-) buien. De aangevoerde lucht aan het oppervlak is vaak zeer warm, terwijl het naderende front zeer koude lucht in de hogere troposfeer aanvoert. Door de daardoor ontstane sterk instabiele atmosfeergradiënt is de vorming van zeer hoge wolken mogelijk waaruit vaak veel neerslag valt.

Siegmund doet hier voorkomen alsof Clausius-Capeyron generiek toepasbaar is, wat onjuist is. Mijn dauwpuntsonderzoekje van de De Bilt data laat dat zien, en de uitgebreide wetenschappelijke literatuur is daar ook duidelijk over.

Fig.7   Data: KNMI

Figuur 7 is de bizarre grafiek  die ontstaat als Siegmund vervolgens het aantal dagen met zware neerslag verkregen door observatie gaat ‘corrigeren’ door het een op een toepassen van de Clausius-Clapeyron relatie tussen neerslag en temperatuur (7% meer vocht per graad Celsius temperatuurstijging). Een mijns inziens zotte exercitie.

Zuid-Limburg

Fig.8   Bron: KNMI

Bovenstaand kaartje toont de ligging van de gebruikte neerslagstations en het aantal dagen met zware neerslag van 1951-2025. Ik ga de acht donkergekleurde neerslagstations in Zuid-Limburg eens nader bekijken. Het gaat om de stations Beek, Noorbeek, Schaesberg, Schinnen, Stein, Ubachsberg, Vaals en Valkenburg.  Ze hebben alle tussen de 10 en 20 dagen met zware neerslag, in totaal 110 dagen.

Fig.9   Data: KNMI

Die 110 dagen met zware neerslag zijn weergegeven in figuur 9. Wat direct opvalt is dat de dagen met zware neerslag sterk geclusterd voorkomen. Elk cluster met zware neerslag wordt gevolgd door een periode waarin niet of nauwelijks zware neerslag voorkomt. Ik kan geen verklaring vinden voor dat geclusterde voorkomen.

Verder valt op dat de hoogste meetwaarden geen duidelijke toename laten zien in de tijd. De clusters rond 1965, 1982 en 2020 zijn van vergelijkbare hoogte. De hoogste etmaalsom (101,4 mm) is gemeten op station Noorbeek op 27 mei 1971. Omdat die meting in een rustige periode ligt ging ik in eerste instantie ervan uit dat deze outlier een fout betrof. Maar dat blijkt niet het geval te zijn, de gebeurtenis is gedocumenteerd.

Conclusie: neerslag is complexer dan het KNMI in het artikel doet voorkomen.

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd op klimaatgek.nl op 16 juni 2026

Rob de Vos

Rob de Vos is een onafhankelijke klimaatonderzoeker die schrijft op onder andere de website www.klimaatgek.nl  waar hij redacteur van is.  Als docent aardrijkskunde begon hij zich te storen aan de matige kwaliteit van de aangeboden leerstof  over klimaat op  de bovenbouw HAVO en VWO. Die ergernis mondde uiteindelijk uit in het opzetten van de website www.klimaatgek.nl, die in eerste instantie bedoeld was ter ondersteuning van zijn examenkandidaten. In een later stadium is dat uitgegroeid tot een meer algemene klimaatsite.

Hij was samen met Marcel Crok auteur van het kritische rapport (2018) over de KNMI-scenario’s  en schreef mee aan het rapport ‘Het Raadsel van de Verdwenen Hittegolven’ (2019). Hij was co-auteur van een drietal wetenschappelijke publicaties, namelijk over de temperatuurhomogenisatie van De Bilt (2021), de homogenisatie van de Europese temperatuurdata (GHCN) (2022) en recentelijk over de zeespiegelstijging (2025).

DEEL DIT ARTIKEL:


Climate Intelligence Clintel

meer nieuws

De EU en het VK lijken steeds meer op de Sovjet-Unie in haar nadagen

Het ancien régime van West-Europa zal niet lang meer standhouden. Populistisch-conservatieve partijen hebben de afgelopen jaren overal op het continent terrein gewonnen, juist omdat de dagelijkse realiteit van de meerderheid haaks staat op de doctrine van de elite. Maar zolang de kiezers niet afdwingen dat er weer economisch gezond verstand, een rationeel energiebeleid en nationale soevereiniteit komen, zullen West-Europa en Groot-Brittannië hun koers in Sovjetstijl voortzetten.

Misbruik van de wetenschap: het toeschrijven van extreem weer aan klimaatverandering

Zowel de reguliere media als overheidsrapporten hebben zich vastgeklampt aan de ‘toeschrijving’ van extreme weersomstandigheden aan klimaatverandering, om het alarmisme aan te wakkeren. Maar dergelijke onderzoeken vertonen ernstige tekortkomingen, met fouten op zowel wetenschappelijk als interpretatief vlak, en zijn eerder om juridische en politieke dan om wetenschappelijke redenen opgesteld, aldus Ralph Alexander.

By |2026-06-16T15:44:11+02:0017 juni 2026|Reacties uitgeschakeld voor Zware neerslag in Nederland
Go to Top