De klimaatfuik: waarom falend klimaatbeleid tot nóg meer klimaatbeleid leidt
Groepsidentiteit, status en een diplomademocratisch beleidsapparaat maken het klimaatnarratief vrijwel immuun voor tegenvallende resultaten, legt Evert Doornhof van Clintel uit.
Waarom blijft de politiek in Den Haag en Brussel het klimaatbeleid intensiveren terwijl de sociale, economische en energetische nadelen steeds zichtbaarder worden? Het antwoord ligt voor een groot deel in een gesloten systeem van groepsidentiteit, status en institutionele zelfbevestiging.
De paradox van het klimaatbeleid
De energierekening stijgt, het elektriciteitsnet loopt vast en woningbouw en bedrijvigheid worden steeds vaker geremd door netcongestie. Energie-intensieve bedrijven stellen investeringen uit, krimpen of vertrekken. Wind- en zonne-energie vragen om steeds grotere investeringen in netten, opslag, regelvermogen en back-up. Ondertussen groeit de afhankelijkheid van weersomstandigheden in een samenleving die in de toekomst waarschijnlijk juist meer elektriciteit wil gebruiken.
Je zou verwachten dat zulke signalen aanleiding geven tot een fundamentele heroverweging. Werken de gekozen middelen? Zijn de kosten nog in verhouding tot de baten? Bestaan er betrouwbaardere alternatieven? Maar in Den Haag en Brussel gebeurt meestal het tegenovergestelde. Vrijwel iedere tegenvaller wordt aangevoerd als bewijs dat de transitie niet snel genoeg gaat. Netcongestie vraagt om méér investeringen. Hoge energieprijzen vragen om méér hernieuwbare energie. Tegenvallende emissiereducties vragen om strengere normen. Weerstand onder burgers vraagt om betere communicatie.
Daarmee ontstaat een opmerkelijke paradox: waarom leidt het zichtbare falen van klimaatbeleid niet tot heroverweging, maar juist tot nóg meer klimaatbeleid? Het antwoord ligt niet alleen in de klimaatwetenschap of in afzonderlijke politieke besluiten. Klimaatbeleid is in de afgelopen decennia ingebed geraakt in de identiteit, status, instituties en belangen van een hoogopgeleide bestuurlijke klasse. Daardoor is een zichzelf versterkend systeem ontstaan dat slecht in staat is tegenvallende resultaten als tegenbewijs te verwerken.
Een steeds weerbaardere mensheid
Om dat mechanisme te begrijpen, moeten we eerst vaststellen welk verhaal nauwelijks tot de publieke agenda doordringt. Onze directeur Marcel Crok beschreef dat in zijn essay ‘Immuun voor klimaatverandering’ en in de korte video ‘There is no climate emergency’. De mensheid is de afgelopen eeuw niet steeds kwetsbaarder, maar juist veel weerbaarder geworden tegen de grillen van weer en klimaat.
Marcel Crok en Václav Klaus (de leiding van Clintel)
De sterfte door weersextremen is in een eeuw met ongeveer 98 procent gedaald, terwijl de wereldbevolking verviervoudigde. Dankzij stevigere woningen, betere infrastructuur, weersverwachtingen, evacuaties, gezondheidszorg en betrouwbare energie kunnen samenlevingen zich veel beter beschermen. De meeste belangrijke vormen van extreem weer laten bovendien geen duidelijke mondiale toename zien. Absolute schadebedragen stijgen doordat er meer mensen en kapitaal in kwetsbare gebieden aanwezig zijn, maar als aandeel van de wereldeconomie vertoont klimaatschade geen alarmerende opwaartse trend.
Daar komen gunstige ontwikkelingen bij die in de gebruikelijke klimaatcommunicatie weinig aandacht krijgen: de vergroening van de aarde inclusief hogere landbouwopbrengsten door de positieve invloed van meer CO2 in de atmosfeer op plantengroei. Dat betekent niet dat ieder effect van opwarming positief is of dat voorbereiding op extreem weer overbodig wordt. Het betekent wel dat het beeld van een steeds hulpelozer mensheid niet klopt. Welvaart en technologie hebben ons aanpassingsvermogen spectaculair vergroot.
Juist dit succesverhaal is politiek ongemakkelijk. Als menselijke weerbaarheid toeneemt en adaptatie aantoonbaar werkt, wordt het moeilijker om steeds verdergaande maatregelen te rechtvaardigen met een permanente noodtoestand. Goed nieuws is binnen het dominante klimaatkader daarom niet zomaar neutraal nieuws. Het ondergraaft de urgentie waarop het beleid rust.
Klimaat als identiteit en statussymbool
De Amerikaanse socioloog Musa al-Gharbi biedt een bruikbare en interessante verklaring. Hij schrijft over ‘symbolic capitalists’: hoogopgeleide mensen die hun brood verdienen met woorden, ideeën, kennis en symbolen. Zij werken onder meer in media, wetenschap, onderwijs, bestuur, consultancy, recht, financiën, technologie en de culturele sector. Deze groep heeft andere politieke voorkeuren dan de gemiddelde burger en is sterk vertegenwoordigd in de instituties die bepalen hoe maatschappelijke problemen worden benoemd.
Al-Gharbi benadrukt een ongemakkelijke paradox. Intelligentie en opleiding beschermen niet automatisch tegen groepsdenken. Cognitief vaardige mensen beschikken vooral over meer kennis, argumenten en retorische middelen om hun bestaande overtuigingen te verdedigen. Wanneer feiten botsen met hun politieke of morele voorkeuren, zijn zij beter in staat gaten in onwelgevallige gegevens te vinden, uitzonderingen te bedenken en tegenbewijs in het bestaande wereldbeeld in te passen.
Dat wordt sterker wanneer een overtuiging sociale status oplevert. Binnen grote delen van de hoogopgeleide klasse is ambitieus klimaatbeleid een teken geworden van deskundigheid, vooruitgang en morele verantwoordelijkheid. Wie de juiste zorgen uitspreekt en de juiste oplossingen steunt, laat zien dat hij bij de geïnformeerde en fatsoenlijke groep hoort. Wie fundamentele vragen stelt, riskeert daarentegen te worden gezien als achterlijk, egoïstisch of onwetenschappelijk.
Het ‘klimaatexamen’ dat Marcel Crok in zijn essay beschrijft, is daarvan een bijna symbolisch voorbeeld. De deelnemer krijgt een omvangrijk pakket alarmerende informatie, leert welke antwoorden als juist gelden en eindigt met een bingokaart over persoonlijk deugdzaam gedrag. De onderliggende boodschap is niet alleen: dit moet u weten. Zij luidt ook: dit is wat een verantwoordelijke burger behoort te denken en te doen. Klimaatkennis functioneert zo als cultureel kapitaal.
De diplomademocratie bepaalt de agenda
Mark Bovens (links) en Anchrit Wille (rechts) over de diplomademocratie in gesprek bij De Nieuwe Wereld.
In Nederland en andere West-Europese landen krijgt dit psychologische mechanisme politieke macht door wat bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille de ‘diplomademocratie’ noemen. Hbo- en wo-opgeleiden zijn sterk oververtegenwoordigd in parlement, bestuur, ministeries, adviesorganen, kennisinstellingen, journalistiek en maatschappelijke organisaties. Zij wonen vaker in dezelfde wijken, lezen dezelfde media, sturen hun kinderen naar vergelijkbare scholen en bewegen zich in grotendeels dezelfde professionele netwerken.
De gevolgen gaan verder dan een tekort aan herkenbare volksvertegenwoordigers. Een homogene bestuurlijke klasse bepaalt ook welke problemen urgent zijn, welke deskundigen geloofwaardig heten, welke onderzoeken financiering ontvangen en welke oplossingen binnen de grenzen van het redelijke vallen. Academisch opgeleiden hebben andere prioriteiten en ervaren andere risico’s dan praktisch opgeleiden. Toch krijgen juist hun zorgen gemakkelijker toegang tot de beleidsagenda.
De klimaatagenda sluit bijzonder goed aan bij de voorkeuren van progressief-liberale, hoogopgeleide kiezers. In Nederland is dat zichtbaar bij partijen als PRO, PvdD, D66 en Volt, en in mindere mate bij CDA en VVD. Maar belangrijker dan de partijpolitieke verdeling is de institutionele continuïteit. Kabinetten kunnen wisselen, terwijl ministeries, adviesraden, planbureaus, Europese instellingen, ngo’s en gesubsidieerde kennisnetwerken hetzelfde beleidskader blijven hanteren.
De groepen die de kosten het sterkst ervaren, hebben daarentegen minder invloed op de agenda. Voor een beleidsmaker is een hogere energierekening een koopkrachteffect dat met een compensatieregeling kan worden verzacht. Voor een gezin met weinig financiële ruimte of een energie-intensieve ondernemer kan dezelfde rekening een bestaansprobleem zijn. De morele opbrengst van ambitieus beleid komt vooral terecht bij de klasse die het formuleert; de materiële lasten worden veel breder verdeeld.
Hoe een narratief zichzelf beschermt
Een dominant beleidskader blijft niet alleen bestaan doordat veel mensen het oprecht onderschrijven. Het ontwikkelt ook mechanismen die afwijkende informatie op afstand houden. Het eerste mechanisme is selectie. Een overstroming, hittegolf of bosbrand krijgt onmiddellijk betekenis als waarschuwing voor klimaatverandering. Dalende rampensterfte, stabiele langetermijntrends of geslaagde adaptatie halen veel minder gemakkelijk het nieuws. Het ene past vanzelf in het verhaal; het andere vraagt uitleg en tast de urgentie aan.
Het tweede mechanisme is het mentale label. Woorden als ‘klimaatontkenner’, ‘verspreider van desinformatie’ of ‘fossiele spreekbuis’ zijn geen inhoudelijke argumenten. Zij plaatsen de spreker in kwestie moreel en intellectueel buiten de orde. Je hoeft een bewering niet meer te weerleggen wanneer je haar succesvol kunt associëren met een groep met een lage sociale status. Het label geeft toehoorders toestemming om niet meer te luisteren.
Daarna volgt associatieve besmetting. Een journalist, wetenschapper of politicus die een gestigmatiseerde criticus serieus neemt, kan zelf reputatieschade oplopen. Dat bevordert zelfcensuur. Redacties nodigen bepaalde deskundigen niet uit, onderzoekers citeren omstreden collega’s liever niet en organisaties nemen preventief afstand. Centrale regie is daarvoor niet nodig. Mensen kennen de professionele en sociale risico’s en passen hun gedrag daarop aan.
Een vierde mechanisme is de ‘waslijst’: een opeenstapeling van oude uitspraken, dubieuze associaties, financieringssuggesties en eerdere beschuldigingen. Geen enkel punt hoeft doorslaggevend te zijn. De lengte van de lijst creëert een gevoel: waar zoveel rook is, zal wel vuur zijn. Zo verschuift het debat van de kwaliteit van argumenten naar het karakter, netwerk en motief van de spreker.
Clintel ervaart dit mechanisme voortdurend. De stichting wordt geregeld geassocieerd met de fossiele industrie, waarbij vaak wordt verwezen naar het begin van de loopbaan van medeoprichter Guus Berkhout bij Shell en zijn latere geofysische onderzoek voor een consortium van olie- en gasbedrijven. Die feiten zijn op zichzelf relevant voor een biografie, maar zeggen niets over de juistheid van Clintels analyses, de huidige financiering van de stichting of de inhoud van de World Climate Declaration. Toch volstaat de associatie vaak om inhoudelijke argumenten verdacht te maken. Ook Wikipedia opent Berkhouts lemma met zijn werk voor de olie- en gasindustrie en beschrijft Clintel vervolgens hoofdzakelijk door de lens van ‘klimaatscepsis’, industriële banden en negatieve factchecks. Zo ontstaat precies het gewenste totaalbeeld: niet de argumenten staan centraal, maar een reeks associaties die de lezer vooraf vertelt hoe hij die argumenten behoort te waarderen.
Prof. Guus Berkhout, medeoprichter van Clintel
Ten slotte versterken instituties elkaar in een gesloten cirkel. Politiek formuleert klimaatdoelen, ministeries financieren onderzoek binnen die doelen, kennisinstellingen adviseren over de uitvoering en media presenteren hun bevindingen als wetenschappelijke consensus. De politiek beroept zich vervolgens op wetenschap en maatschappelijk draagvlak. Iedere partij kan oprecht zeggen slechts haar eigen rol te vervullen, terwijl het geheel nauwelijks nog ruimte laat voor de vraag of het oorspronkelijke doel en de gekozen route wel verstandig zijn.
Waarom iedere mislukking méér beleid oplevert
Een robuuste theorie moet in beginsel door de werkelijkheid kunnen worden weerlegd. Bij het klimaatbeleid gebeurt steeds vaker het tegenovergestelde. Tegenover ieder negatief resultaat staat een verklaring die het onderliggende kader intact laat.
Hoge energieprijzen komen dan niet door de kosten en complexiteit van de transitie, maar door onze resterende afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Netcongestie bewijst niet dat weersafhankelijke productie slecht aansluit op vraag en infrastructuur, maar dat te weinig in het net is geïnvesteerd. Vertrekkende industrie was onvoldoende toekomstbestendig. De weersafhankelijke productie van wind en zon zal later worden opgevangen door batterijen, waterstof, Europese verbindingen of technieken die nog moeten opschalen. Weerstand onder burgers is geen correctie op het beleid, maar het gevolg van desinformatie of onvoldoende uitleg.
Zo wordt iedere tegenvaller een argument voor versnelling. Het beleid kan moeilijk falen, omdat falen wordt gedefinieerd als een tekort aan beleid. Dat maakt het klimaatkader vrijwel immuun voor falsificatie.
Een actueel voorbeeld is Diederik Samsom, voormalig politicus en mede-architect van de Europese Green Deal. In de Volkskrant voert hij de recente natuurbranden in Zuid-Europa op als bewijs dat ‘Moeder Aarde’ ons tot meer klimaatactie probeert aan te zetten. Dramatische brandbeelden worden zo niet alleen een bevestiging van het bestaande wereldbeeld, maar ook een argument om het beleid verder op te voeren. De bredere Europese cijfers vertellen echter een ander verhaal: gegevens van het Global Wildfire Information System van Copernicus en NASA laten over langere perioden juist een dalende trend zien. Toch leidt dat niet tot heroverweging. Binnen de klimaatfuik bewijst ieder zichtbaar incident vooral dat er nog onvoldoende beleid is gevoerd.
De rekening is inmiddels nauwelijks nog abstract te noemen. In een Kamerdebat van 30 juni 2026 werd, onder verwijzing naar een doorkijk van de netbeheerders, een bedrag van maximaal 270 miljard euro genoemd voor de uitbreiding van het elektriciteitsnet tot 2040. De staatssecretaris bevestigde daarbij dat netkosten uiteindelijk via het omslagstelsel door gebruikers worden betaald. Gedeeld door de circa 8,4 miljoen Nederlandse huishoudens komt 270 miljard rekenkundig neer op ruim 32.000 euro per huishouden. Dat is niet hetzelfde als een eenmalige factuur van 32.000 euro – bedrijven dragen eveneens bij, bedragen worden over jaren uitgesmeerd en financiering en gebruik veranderen de verdeling – maar het maakt wel de orde van grootte zichtbaar. Juist bij zulke bedragen zou een open vergelijking tussen verschillende energiesystemen vanzelfsprekend moeten zijn.
Ook institutionele belangen spelen mee. Rond de energietransitie is een omvangrijk ecosysteem ontstaan van energiebedrijven, netbeheerders, consultants, ngo’s, subsidieadviseurs, universiteiten, ambtelijke afdelingen, ESG-professionals, banken en Europese fondsen. Hun inkomsten, budgetten en reputaties zijn verbonden met de voortzetting van de agenda. Dat betekent niet dat al deze mensen te kwader trouw handelen. Juist oprechte overtuiging en institutioneel eigenbelang kunnen elkaar krachtig versterken.
Daar komt een toenemende politieke ‘terugkeerdrempel’ bij. Na jaren van miljardenuitgaven, bindende doelen en morele veroordeling van critici, wordt erkenning van een verkeerde koers steeds kostbaarder. Bestuurders zouden moeten toegeven dat waarschuwingen over kosten, ruimtebeslag en betrouwbaarheid ten onrechte zijn genegeerd. Daarom kiest men liever voor technische aanpassingen, extra subsidies en verschoven deadlines dan voor een principiële heroverweging.
De gevaarlijke omkering
Hier ontstaat de grootste tegenstrijdigheid. De spectaculaire afname van de kwetsbaarheid voor extreem weer is vooral bereikt door welvaart, infrastructuur, technologie en betrouwbare energie. Verwarming en airconditioning beschermen tegen kou en hitte. Moderne landbouw, waterbeheer en transport beperken de gevolgen van droogte en overstromingen. Rijke samenlevingen kunnen stevige gebouwen neerzetten, dijken onderhouden en mensen tijdig evacueren.
Wanneer klimaatbeleid energie duurder en minder betrouwbaar maakt, industrie verzwakt en economische groei afremt, kan het juist de middelen aantasten waarmee mensen zich tegen klimaatrisico’s beschermen. Het beleid dat de samenleving weerbaarder zegt te maken, kan haar adaptatievermogen verminderen.
Dat is geen pleidooi om niets te doen. Het is een pleidooi om de prioriteiten om te keren. Een rationeel klimaat- en energiebeleid begint bij betaalbaarheid, beschikbaarheid en betrouwbaarheid. Het investeert in adaptatie waar concrete risico’s bestaan, laat ook kernenergie volwaardig meetellen en beoordeelt wind, zon, opslag en fossiele brandstoffen op hun bijdrage aan het totale energiesysteem – niet op hun afzonderlijke, theoretische CO2-score.
Uit de klimaatfuik
De hardnekkigheid van het klimaatbeleid hoeft niet te worden verklaard met een centraal complot. Het is een emergent systeem waarin morele overtuiging, groepsidentiteit, sociale status, carrièreprikkels, financiële belangen en institutionele zelfbevestiging dezelfde richting op werken. Daardoor kunnen intelligente en goedbedoelende mensen gezamenlijk een beleid voortzetten dat steeds moeilijker met zijn resultaten te verenigen is.
De uitweg begint daarom niet met nóg betere voorlichting van bovenaf. Zij begint met intellectuele bescheidenheid en werkelijk pluralisme. Laat verschillende wetenschappelijke hypothesen en energiescenario’s openlijk concurreren. Maak kosten, baten en onzekerheden zichtbaar. Geef ervaringskennis en de belangen van praktisch opgeleiden een volwaardige plaats. Beoordeel critici op hun argumenten in plaats van op labels en associaties. En durf vooraf vast te leggen welke resultaten aanleiding zouden zijn om beleid te wijzigen.
Maarten van Andel tijdens zijn lezing bij Clintel op 15 juni 2026
Daar hoort ook een andere manier van denken over energie bij. Energie-expert Maarten van Andel pleit ervoor klimaatbeleid en energiebeleid weer van elkaar te scheiden. Energiebeleid moet allereerst zorgen voor een betrouwbare, betaalbare en efficiënte eerste levensbehoefte. Dat vraagt niet om slogans over afzonderlijke bronnen, maar om het consequent doorrekenen van de volledige energieketen – van productie en omzetting tot transport, opslag en eindgebruik. Hernieuwbaar is immers niet automatisch duurzaam en waterstof is geen energiebron. Pas wanneer verliezen, materiaalgebruik, infrastructuur en back-up worden meegerekend, wordt zichtbaar welke oplossingen werkelijk bijdragen. Van Andels devies ‘reken alles na’ is daarmee ook bestuurlijk van belang: maak ambitieuze doelen ondergeschikt aan natuurkundige haalbaarheid en toetsbare resultaten.
De belangrijkste vraag is uiteindelijk niet of bestuurders het klimaat belangrijk genoeg vinden. De vraag is of zij bereid zijn hun beleid door de werkelijkheid te laten corrigeren. Zolang slecht nieuws méér beleid rechtvaardigt, goed nieuws wordt gerelativeerd en door het beleid veroorzaakte problemen als bewijs voor onvoldoende ambitie gelden, blijft Nederland (en West-Europa) gevangen in de klimaatfuik.
Een verstandig energiebeleid vraagt niet om minder wetenschap, maar om wetenschap die tegenspraak verdraagt; niet om minder verantwoordelijkheid, maar om verantwoordelijkheid voor alle gevolgen van beleid. Pas wanneer heroverweging weer als teken van bestuurlijke volwassenheid geldt in plaats van als moreel verraad, kan het klimaatdebat terugkeren naar waar het thuishoort: een open afweging van risico’s, kosten en alternatieven.
Bronnen en verdere verdieping
- Musa al-Gharbi, Smart People Are Especially Prone to Tribalism, Dogmatism and Virtue Signaling
- Rob Henderson, Do the Most Educated People Look Down on Everyone Else?
- Marcel Crok, Immuun voor klimaatverandering
- Marcel Crok, There is no climate emergency (video)
- De Nieuwe Wereld, Diplomademocratie: niet zo democratisch | Gesprek met Anchrit Wille & Mark Bovens
- Wikipedia, Guus Berkhout
- Tweede Kamer, vragenuur 30 juni 2026: raming uitbreiding elektriciteitsnet tot 2040
- CBS, Huishoudens nu
- Peter Baeten, Waarom de energietransitie niet werkt volgens Maarten van Andel
Evert Doornhof
Evert Doornhof is lang actief geweest in de financiële wereld, waar hij commerciële en leidinggevende functies heeft bekleed. Na de coronapandemie besloot hij een andere weg in te slaan toen hij zag hoe snel persoonlijke vrijheden kunnen worden ingeperkt. Hij zet zich nu in om crises aan het licht te brengen die verzonnen of overdreven lijken te zijn. Zo is hij onder meer actief bij de Clintel Foundation, waarvoor hij o.a. de social media beheert en verschillende artikelen heeft geschreven.
Wat u zojuist heeft gelezen, kon worden gepubliceerd dankzij onze donateurs.
Clintel publiceert dagelijks artikelen over klimaat, energie en wetenschap. Daarnaast vertalen wij internationale analyses in meerdere talen, maken wij video’s, publiceren wij rapporten en organiseren wij bijeenkomsten en lezingen.
Wij ontvangen geen overheidssubsidies en zijn volledig afhankelijk van de steun van onze donateurs. Dankzij uw bijdrage kunnen wij onafhankelijk onderzoek en een open debat over klimaat en energie blijven bevorderen.
Steunt u ons werk? Kies wat bij u past:
• Word Vriend van Clintel – vanaf €100 per jaar
• Word Trouwe Vriend van Clintel – via een fiscaal aantrekkelijke periodieke gift
• Doe een eenmalige donatie – iedere bijdrage helpt
Hartelijk dank voor uw steun.
meer nieuws
Tony Blair: “Laat Net Zero varen en zoek toenadering tot Trump”
In een vernietigende aanval van 5.700 woorden op de huidige premier pleitte Tony Blair ervoor dat de Britse regering ‘Net Zero’ laat varen en de banden met Donald Trump aanhaalt.
“Beschamend pleidooi Milieudefensie in zaak tegen Shell”
Onlangs diende voor de Hoge Raad het cassatieberoep dat Milieudefensie tegen Shell en Stichting Milieu en Mens instelde om alsnog een grote emissiereductie bij het bedrijf af te dwingen. Lucas Bergkamp, arts en advocaat te Brussel, heeft de Stichting Milieu & Mens bijgestaan in de procedure tegen Milieudefensie en deed recent op Wynia's Week verslag van de zitting: “Milieudefensie oogt vermoeid en klonk voor de Hoge Raad als een verwend kind.”
Nog twee weken tot de Clintel-avond in Driebergen!
Over twee weken, op maandag 15 juni, organiseren we in Antropia (Driebergen) een bijzondere avond met Marcel Crok en Maarten van Andel. De kaartverkoop loopt goed. Wil je erbij zijn? Bestel dan snel je tickets!











