Nederland betaalt aan de klimaattransitie; Brussel herverdeelt de miljarden
Nederlanders betalen op steeds meer manieren voor energiegebruik en CO2-uitstoot. Soms is die rekening zichtbaar, zoals bij de energiebelasting; andere kosten zitten verwerkt in de prijs van producten en diensten. Tegelijkertijd wordt een deel van de opbrengsten van het klimaatbeleid herverdeeld naar zwakkere EU-landen. Daniël de Liever legt uit hoe dat systeem werkt.
Er zijn verschillende Europese mechanismen die bedoeld zijn om belastinggeld via klimaatbeleid te herverdelen. Een belangrijk voorbeeld is het Europese Moderniseringsfonds. Nederland kan daar zelf geen geld uit ontvangen, maar draagt via het Europese emissiehandelssysteem wel indirect aan de financiering bij. Doordat CO2-rechten voor het fonds worden geveild, blijven er minder rechten over die Nederland zelf had kunnen verkopen. De opbrengst daarvan gaat naar dertien andere EU-landen, waaronder Polen, Roemenië, Hongarije en Bulgarije. Polen is een van de grootste ontvangers en gebruikt het geld onder meer voor energienetten, verduurzaming en subsidies voor emissieloze vrachtwagens. Daarmee ontstaat een opvallende situatie: Nederlandse huishoudens en bedrijven betalen zelf aanzienlijke kosten voor de energietransitie, terwijl een deel van de Europese CO2-opbrengsten wordt gebruikt om diezelfde transitie in andere lidstaten te financieren.
Dat betekent niet dat iedere Nederlandse klimaatbelasting uiteindelijk in Polen of een ander land terechtkomt. De Nederlandse energiebelasting, benzineaccijns en vrachtwagenheffing zijn nationale inkomsten en moeten worden onderscheiden van de Europese geldstromen. Ook ontvangt Nederland zelf geld uit verschillende Europese klimaatprogramma’s. Toch is de herverdeling aanzienlijk. Alleen al via het Moderniseringsfonds gaat gemiddeld ongeveer 4,3 miljard euro per jaar naar een beperkte groep lidstaten. Bij andere fondsen loopt de verdeling eveneens sterk uiteen tussen Nederland en landen als Polen.
De zichtbare rekening voor huishoudens
De Nederlandse bijdrage aan het Moderniseringsfonds en andere vergelijkbare fondsen die geld aan klimaatbeleid besteden, komen bovenop hoge energiebelastingen die de Nederlandse overheid heft. De meest directe energiebelastingen voor de Nederlandse consument zijn terug te vinden op de energierekening. In 2026 bedraagt de energiebelasting in de voor huishoudens relevante schijf tot nu toe ongeveer 73 cent per kubieke meter aardgas, inclusief btw. Bij een jaarverbruik van 900 kubieke meter vertegenwoordigt dat ongeveer 654 euro aan belasting. Voor elektriciteit bedraagt de energiebelasting ongeveer 11,1 cent per kilowattuur.
Daar staat een vaste belastingvermindering tegenover. Daardoor komt de netto energiebelasting voor een gemiddeld huishouden aanzienlijk lager uit dan wanneer alleen naar de afzonderlijke tarieven wordt gekeken. Volgens de berekening van de Rijksoverheid betaalt een gemiddeld huishouden in 2026 per saldo ongeveer 232 euro energiebelasting.
Ook autorijden kent een forse fiscale component. De accijns op benzine bedraagt in 2026 ongeveer 84,5 cent per liter. Op diesel gaat het om ongeveer 55,2 cent. Wie vijftig liter benzine tankt, betaalt daarmee alleen al ruim 42 euro accijns.
Ook vliegen wordt rechtstreeks belast. Een passagier die in 2026 vanaf een Nederlandse luchthaven vertrekt, betaalt 30,25 euro vliegbelasting. Daarnaast krijgt de luchtvaart te maken met Europese CO2-kosten via het emissiehandelssysteem.
Deze accijnzen zijn geen zuivere klimaatheffingen. Ze bestaan al veel langer en vormen inkomsten voor de Nederlandse schatkist. Ze zijn wel relevant voor de totale rekening van fossiel energiegebruik, zeker nu daar steeds meer expliciete CO2-prijzen en verduurzamingsmaatregelen naast komen te staan en inkomsten uit energiebelastingen samen met andere belastingen bijdragen aan miljarden die de Nederlandse overheid aan klimaatbeleid uitgeeft. Zo begrootte het minister van Klimaat en Groene Groei 13,7 miljard euro dit jaar, meer dan een verdubbeling dan de 5,5 miljard euro van vorig jaar.
Een CO2-rekening die niet op de kassabon staat
Minder zichtbaar voor veel Nederlandse burgers is het Europese emissiehandelssysteem, het EU ETS. Grote elektriciteitsproducenten en industriebedrijven moeten voor hun CO2-uitstoot emissierechten inleveren. Ook de luchtvaart en inmiddels een groot deel van de zeevaart vallen onder het systeem.
Zo’n emissierecht vertegenwoordigt één ton CO2. Voor Nederlandse berekeningen wordt in 2026 een EU-ETS-referentieprijs van 79,42 euro per ton gebruikt. De werkelijke marktprijs beweegt voortdurend.
De rekening komt formeel terecht bij bedrijven. Een staalfabriek, chemisch bedrijf of elektriciteitscentrale moet immers de rechten aanschaffen. Economisch hoeft de rekening daar niet te blijven. Bedrijven kunnen hogere kosten geheel of gedeeltelijk verwerken in de prijs die hun klanten betalen.
Dat effect is bij elektriciteit goed zichtbaar. Het kabinet heeft erkend dat de prijs van CO2-rechten via elektriciteitsprijzen en productiekosten uiteindelijk ook bij consumenten kan terechtkomen. Bij energie-intensieve Nederlandse industriële gebruikers bestond gemiddeld ongeveer 7 procent van de elektriciteitsprijs uit ETS-kosten, voordat rekening werd gehouden met compensatie.
Dat zegt niet dat 7 procent van de elektriciteitsrekening van een gemiddeld huishouden rechtstreeks uit ETS bestaat. De genoemde berekening betreft energie-intensieve industriële gebruikers. Het laat wel zien dat de CO2-prijs inmiddels een relevante kostenpost vormt binnen de economie.
De gevolgen kunnen verder door de productieketen lopen. Een producent van staal, aluminium, kunstmest, papier of chemicaliën koopt elektriciteit en moet mogelijk zelf emissierechten afrekenen. Wanneer die kosten worden doorberekend, worden auto’s, woningen, verpakkingen, voedselproductie en andere goederen uiteindelijk duurder.
Hoeveel een gemiddeld huishouden op die manier indirect aan ETS-kosten betaalt, is niet betrouwbaar in één bedrag te vatten. Dat hangt af van het koopgedrag en van de mate waarin afzonderlijke bedrijven hun kosten kunnen doorberekenen.
De overheid compenseert vervolgens weer een deel
Dat de Europese CO2-prijs gevolgen heeft voor de concurrentiepositie van bedrijven, blijkt ook uit het Nederlandse compensatiebeleid. Voor energie-intensieve ondernemingen bestaat een regeling waarmee een deel van de indirecte ETS-kosten in de elektriciteitsprijs wordt gecompenseerd.
Voor deze ondersteuning zijn honderden miljoenen euro’s beschikbaar. Het kabinet heeft structureel ongeveer een half miljard euro per jaar gereserveerd. Bedrijven in sectoren als aluminium, glas, papier, kunstmest en chemie kunnen onder voorwaarden steun krijgen.
Daar ontstaat een opvallende financiële kringloop. Eerst maakt de Europese CO2-prijs energie-intensieve productie duurder. Vervolgens trekt de Nederlandse overheid geld uit om bepaalde bedrijven op kosten van de belastingbetaler voor een deel van die kosten te compenseren.
Het vermeende uitgangspunt daarachter is het voorkomen van zogenoemde ‘koolstoflekkage‘. Wanneer Europese productie vanwege hoge CO2-kosten verhuist naar landen met minder strenge regels, daalt de uitstoot wereldwijd niet noodzakelijk. Tegelijk kan Europa dan wel industrie en werkgelegenheid verliezen. Ondanks de compensatie, verdwijnen alsnog veel bedrijven uit Nederland en andere Europese landen vanwege dure energieprijzen en klimaatwetgeving.
Ook een Nederlandse CO2-heffing
Nederland heeft naast het Europese systeem een eigen CO2-heffing voor de industrie. Die moet naar eigen zeggen ervoor zorgen dat bedrijven voor uitstoot boven bepaalde vrijgestelde hoeveelheden minimaal een bepaald bedrag per ton betalen.
De Europese ETS-prijs wordt daarbij verrekend. Wanneer de Europese CO2-prijs al hoog genoeg is, hoeft daar nationaal weinig of niets bovenop te komen. Voor 2026 ligt de voor de heffing gebruikte Europese referentieprijs zelfs iets boven het algemene Nederlandse tarief voor ETS-installaties.
Daardoor bedraagt de aanvullende nationale heffing voor veel ETS-installaties in 2026 feitelijk nul per belastbare ton. Een jaar eerder lag dat anders. Toen kon voor bepaalde uitstoot nog een aanvullende nationale CO2-heffing verschuldigd zijn.
Ook hier geldt dat de rekening formeel bij bedrijven wordt gelegd. Maar bedrijven opereren niet los van hun klanten. Hogere productie- en investeringskosten kunnen uiteindelijk in prijzen terechtkomen.
Ook de grens krijgt een CO2-prijs
Sinds 2026 kent Europa daarnaast het Carbon Border Adjustment Mechanism, CBAM. Daarmee wordt voor bepaalde CO2-intensieve goederen die van buiten de Europese Unie komen een koolstofprijs ingevoerd.
Het systeem richt zich onder meer op staal, aluminium, cement, kunstmest, waterstof en elektriciteit. Europese producenten betalen via het ETS voor hun uitstoot. CBAM moet voorkomen dat geïmporteerde producten een voordeel hebben omdat producenten buiten Europa geen vergelijkbare CO2-prijs betalen. Importeurs moeten uiteindelijk certificaten afrekenen die gekoppeld zijn aan de Europese CO2-prijs. Ook deze rekening komt in eerste instantie terecht bij bedrijven.
Een bouwbedrijf dat buitenlands staal inkoopt of een onderneming die aluminium importeert, kan daardoor hogere kosten krijgen. Wanneer die worden doorberekend, kunnen woningen, auto’s, machines en andere producten duurder worden.
Vanaf 2028 komt CO2-prijs dichter bij huishoudens
Een volgende grote stap is ETS2. Dit tweede emissiehandelssysteem gaat onder meer fossiele brandstoffen voor gebouwen en wegvervoer beprijzen. Het systeem was oorspronkelijk eerder voorzien, maar de volledige invoering is verschoven naar 2028. Huishoudens hoeven niet zelf naar een beurs om emissierechten te kopen. Brandstofleveranciers krijgen de verplichting.
De verwachting is dat leveranciers hun kosten voor een belangrijk deel verwerken in de prijs van aardgas, benzine en diesel. Daarmee komt de Europese CO2-prijs veel directer bij burgers terecht dan onder het huidige ETS.
Eerdere Nederlandse berekeningen geven een indruk van de mogelijke omvang. Bij een CO2-prijs van ongeveer 60 euro per ton werd gerekend met circa 11 cent extra per kubieke meter gas, 13 cent per liter benzine en 15 cent per liter diesel.
Bij een lagere veronderstelde CO2-prijs van 50 euro per ton werd voor een gemiddeld huishouden met gasverwarming ongeveer 100 euro per jaar aan extra kosten berekend. Voor een gemiddelde fossiele personenauto kwam daar circa 85 euro bij. Samen zou dat ongeveer 185 euro per jaar bedragen.
Deze cijfers zijn ramingen en geen vaststaande toekomstige bedragen. De uiteindelijke ETS2-prijs wordt op een markt bepaald. Het principe staat wel vast: de Europese CO2-prijs bereikt straks veel directere onderdelen van het huishoudbudget.
Wat gebeurt er vervolgens met het CO2-geld?
Daarmee komt de andere kant van het systeem in beeld. CO2-beprijzing levert namelijk niet alleen kosten op. Het genereert ook miljarden aan belastinginkomsten. Een groot deel van de bestaande ETS-rechten wordt geveild. Nederland ontving alleen al in 2025 ongeveer 923 miljoen euro uit zijn eigen veilingen van emissierechten.
Die opbrengsten zijn gekoppeld aan klimaat- en energiedoelen. Europese regels schrijven voor dat lidstaten hun ETS-inkomsten, of een financieel gelijkwaardig bedrag, daarvoor inzetten.
Maar niet alle emissierechten worden aan de afzonderlijke landen gegeven. Een deel wordt op Europees niveau apart gezet. Daarmee worden fondsen gevuld waarmee projecten elders kunnen worden betaald. Daar begint de herverdeling.
Nederland draagt mee aan een fonds waar het zelf niet uit mag putten
Het Moderniseringsfonds is daarvan het duidelijkste voorbeeld. Het fonds is bedoeld om lidstaten met een lager historisch welvaartsniveau te helpen bij de verduurzaming van onder meer energie, industrie, verwarming en transport.
Nederland behoort niet tot de landen die geld uit deze pot mogen aanvragen. Dertien andere EU-landen kunnen dat wel. Daaronder bevinden zich onder andere Polen, Tsjechië, Roemenië, Hongarije, Bulgarije, Letland en Litouwen.
Het fonds wordt niet betaald uit de Nederlandse energiebelasting of benzineaccijns. De financiering loopt via het ETS. Een deel van de Europese emissierechten wordt verkocht en de opbrengst gaat naar het fonds.
Zonder die constructie waren meer rechten beschikbaar geweest om door de afzonderlijke lidstaten te worden geveild. Nederland ontvangt daardoor minder potentiële veilinginkomsten.
Het kabinet heeft het Nederlandse aandeel in die kosten eerder berekend op 3,37 procent. Inmiddels gaat volgens de Nederlandse regering gemiddeld ongeveer 4,3 miljard euro per jaar naar het Moderniseringsfonds. Het Nederlandse aandeel vertegenwoordigt daarmee ongeveer 145 miljoen euro per jaar. Het kabinet erkent dat hiermee indirect sprake is van een vorm van herverdeling. Het kabinet noemt het Moderniseringsfonds zelf een “beperkt solidariteitselement in het ETS”.
Concreet betekent dit dat Nederland via het Europese ETS indirect bijdraagt aan investeringen buiten Nederland. Het gaat bijvoorbeeld om elektriciteitsnetten, hernieuwbare energie, energieopslag, energie-efficiëntie en schoner transport. Het fonds heeft een aanzienlijke omvang. Over de gehele periode tot 2030 gaat het bij de gehanteerde Europese ramingen om tientallen miljarden euro’s.
Poolse vrachtwagens maken de geldstroom concreet
Een concreet voorbeeld is de Poolse transportsector. Polen heeft 2 miljard zloty beschikbaar gesteld om de aanschaf van emissieloze vrachtwagens te ondersteunen. Tegen de huidige wisselkoers gaat het om ongeveer 465 miljoen euro.
Het volledige budget voor deze regeling komt uit het Moderniseringsfonds. Voor een zware vrachtwagen kan de subsidie oplopen tot 750.000 zloty, omgerekend ruim 174.000 euro. Dat betekent niet dat Poolse transportbedrijven gratis vrachtwagens krijgen. De regeling vergoedt een deel van het prijsverschil tussen een emissieloze truck en een vergelijkbaar conventioneel voertuig. Kleine bedrijven kunnen maximaal zestig procent van die meerkosten vergoed krijgen. Voor middelgrote en grote ondernemingen liggen de percentages lager.
De regeling is vooralsnog nauwelijks op grote schaal gebruikt. Eind mei 2026 waren 89 aanvragen ingediend voor iets meer dan 220 vrachtwagens. Daarmee was minder dan 5 procent van het beschikbare budget aangevraagd. Toch kan dit wringen voor Nederlandse transportondernemers die geen gebruik kunnen maken van het Moderniseringsfonds maar er indirect wel aan meebetalen en tegelijkertijd moeten concurrenten met onder andere Poolse ondernemers.
Nederlandse trucker betaalt uit een andere pot
Nederland kent zelf eveneens subsidies voor emissieloze vrachtwagens. Via de AanZET-regeling worden de komende jaren grote bedragen beschikbaar gesteld. Voor de jaren 2027 tot en met 2030 gaat het samen om bijna 1,1 miljard euro. Nederlandse vervoerders staan dus bepaald niet met lege handen. Het verschil zit in de financiering. AanZET wordt sinds 2026 betaald uit de opbrengsten van de Nederlandse vrachtwagenheffing.
De transportsector draagt via het gebruik van de Nederlandse wegen daardoor zelf bij aan de middelen waarmee de eigen verduurzaming wordt ondersteund. Buitenlandse vrachtwagens betalen overigens eveneens wanneer zij op de betreffende Nederlandse wegen rijden. De heffing is dus niet exclusief voor Nederlandse ondernemingen.
Toch blijft het contrast bestaan. Een Poolse vervoerder kan voor bepaalde investeringen gebruikmaken van het Europese Moderniseringsfonds. Een Nederlandse vervoerder kan dat niet en is aangewezen op andere nationale en Europese regelingen.
Dat verschil is extra relevant omdat Polen inmiddels de grootste speler in het Europese wegtransport is. Poolse vervoerders waren in 2025 goed voor ongeveer een vijfde van alle tonkilometers over de weg in de Europese Unie. Bij cabotage bedroeg hun aandeel in 2024 zelfs 43,7 procent. Nederlandse en Poolse ondernemingen concurreren dus niet op gescheiden markten. Ze komen elkaar tegen bij dezelfde internationale opdrachtgevers.
Het Moderniseringsfonds is niet het enige voorbeeld
Dezelfde gedachte komt terug bij andere Europese klimaat- en transitiefondsen. Soms mag Nederland wel meedoen. Soms is het uitgesloten. En vaak ontvangen landen met een lager gemiddeld inkomen relatief meer. Het Sociaal Klimaatfonds is daarvan een belangrijk voorbeeld. Dat fonds is rechtstreeks gekoppeld aan het komende ETS2.
De opbrengsten van het nieuwe CO2-systeem worden gedeeltelijk gebruikt om kwetsbare huishoudens en kleine ondernemingen te helpen. Het geld kan bijvoorbeeld worden ingezet voor woningrenovatie, schonere mobiliteit en tijdelijke inkomenssteun.
Nederland kan uit deze pot wel geld krijgen. De verdeling is echter sterk gericht op landen waar energiearmoede en vervoersarmoede volgens de Europese criteria groter zijn. Volgens de wettelijke verdeelsleutel krijgt Nederland 1,11 procent van het fonds. Polen krijgt 17,60 procent.
Door het uitstel van ETS2 naar 2028 valt de beschikbare Europese envelop lager uit dan oorspronkelijk voorzien. Bij de relevante lagere fondsomvang correspondeert de verdeelsleutel met maximaal ongeveer 605 miljoen euro voor Nederland en ongeveer 9,6 miljard euro voor Polen. Polen kan volgens die berekening dus bijna zestien keer zoveel uit het Sociaal Klimaatfonds ontvangen als Nederland.
Dezelfde CO2-prijs, andere compensatie
Daar ontstaat een fundamenteel kenmerk van het Europese klimaatbeleid. De CO2-prijs wordt steeds meer Europees gelijkgetrokken. De financiële compensatie wordt juist ongelijk verdeeld.
Een ton CO2 krijgt binnen het systeem in principe dezelfde marktprijs, ongeacht of de uitstoot in Nederland of Polen plaatsvindt. Maar wanneer de opbrengsten vervolgens worden verdeeld, spelen inkomen, welvaart en sociale kwetsbaarheid een belangrijke rol.
Het beleid combineert daarmee twee verschillende uitgangspunten. De vervuiler moet steeds meer betalen. Tegelijk moet een armere lidstaat of kwetsbaarder huishouden meer steun kunnen krijgen om de overgang te maken. Hierbij is dus in feite sprake van herverdeling van belastinggeld van rijke Europese landen, waaronder Nederland, richting armere Europese landen.
Ook miljarden via het Just Transition Fund
Het Just Transition Fund werkt weer anders. Dit fonds is bedoeld voor regio’s waar de overstap naar een klimaatneutrale economie grote economische gevolgen kan hebben. Denk aan gebieden waar veel werkgelegenheid afhankelijk is van kolenmijnen, raffinaderijen, zware industrie of andere CO2-intensieve bedrijvigheid.
Nederland ontvangt uit dit fonds zelf honderden miljoenen euro’s. Voor Nederlandse regio’s is ongeveer 623 miljoen euro beschikbaar. Andere landen, waaronder Polen, ontvangen echter aanzienlijk meer. In de oorspronkelijke Europese verdeelsleutel kreeg Polen ongeveer 20 procent van de beschikbare middelen, in de gebruikte prijsbasis circa 3,5 miljard euro. Voor Nederland lag het aandeel rond 3,2 procent.
Cohesiefonds: Nederland komt helemaal niet in aanmerking
Nog breder is het Cohesiefonds. Dat is geen zuiver klimaatfonds, maar een belangrijk deel van het geld wordt gebruikt voor milieu, energie en infrastructuur. Voor 2021 tot en met 2027 bedraagt het totale fonds ongeveer 48 miljard euro. Een aanzienlijk deel heeft een klimaatbestemming.
Nederland kan hier geen beroep op doen. Het fonds is gereserveerd voor lidstaten met een bruto nationaal inkomen per inwoner onder een vastgestelde grens. Polen voldoet wel aan die voorwaarden. Daarmee lijkt de situatie op het Moderniseringsfonds. Nederland draagt als relatief welvarend EU-land via de Europese begroting mee aan het bredere systeem, maar mag uit deze specifieke pot geen projecten financieren.
Het Cohesiefonds maakt onderdeel uit van het veel grotere cohesiebeleid van de Europese Unie. Polen kreeg voor 2021 tot en met 2027 een totale partnerschapsovereenkomst van ongeveer 76,5 miljard euro uit verschillende cohesiefondsen. Nederland kwam voor dezelfde periode uit op ongeveer 2 miljard euro.
Die bedragen kunnen niet zuiver worden gepresenteerd als Poolse en Nederlandse klimaatsubsidies omdat Cohesiegeld ook naar werkgelegenheid, innovatie, sociaal beleid, regionale ontwikkeling en infrastructuur gaat. Maar een aanzienlijk gedeelte hiervan is desondanks toch gerelateerd aan klimaatbeleid.
Een grote financiële kringloop
Nederland is binnen het Europese klimaatbeleid niet alleen een betaler. Nederlandse bedrijven kunnen bijvoorbeeld gebruikmaken van het Innovatiefonds. Dat fonds wordt eveneens gevuld met de opbrengsten van ETS-rechten, maar staat open voor projecten in alle lidstaten.
Nederlandse projecten rond waterstof, CO2-opslag, industriële verduurzaming en andere innovatieve technologie kunnen daar steun uit krijgen. Daarnaast ontvangt Nederland geld uit het Just Transition Fund, regionale Europese fondsen en Europese herstelmiddelen. Ook krijgt Nederland gewoon zijn eigen nationale ETS-veilingopbrengsten. Alleen al in 2025 leverde de veiling van Nederlandse emissierechten ongeveer 923 miljoen euro op. Daarmee heeft de Europese Unie een onoverzichtelijk systeem gecreëerd waarin fossiele brandstoffen en energie belast worden vanuit klimaatbeleid en een gedeelte weer wordt uitgekeerd. Toch staat de teruggave niet in verhouding tot de kosten.
De Europese klimaattransitie bestaat daardoor inmiddels uit een grote financiële kringloop. Huishoudens en bedrijven betalen voor energie en uitstoot. Overheden ontvangen belastingen en opbrengsten uit emissierechten. Vervolgens wordt een deel van dat geld gebruikt om dezelfde huishoudens en bedrijven te helpen verduurzamen.
Een ander deel wordt Europees verdeeld. Daarbij vloeit geld soms terug naar Nederland. Soms gaat het naar innovatieve bedrijven ongeacht het land. En soms wordt het bewust naar landen met een lager inkomen gestuurd. Daarmee is de herverdeling van Nederlands belastinggeld richting andere Europese landen via klimaatbeleid een feit.
Wat u zojuist heeft gelezen, kon worden gepubliceerd dankzij onze donateurs.
Clintel publiceert dagelijks artikelen over klimaat, energie en wetenschap. Daarnaast vertalen wij internationale analyses in meerdere talen, maken wij video’s, publiceren wij rapporten en organiseren wij bijeenkomsten en lezingen.
Wij ontvangen geen overheidssubsidies en zijn volledig afhankelijk van de steun van onze donateurs. Dankzij uw bijdrage kunnen wij onafhankelijk onderzoek en een open debat over klimaat en energie blijven bevorderen.
Steunt u ons werk? Kies wat bij u past:
• Word Vriend van Clintel – vanaf €100 per jaar
• Word Trouwe Vriend van Clintel – via een fiscaal aantrekkelijke periodieke gift
• Doe een eenmalige donatie – iedere bijdrage helpt
Hartelijk dank voor uw steun.
meer nieuws
De eerste hittegolf van het jaar… en hetzelfde oude verhaal
Maartse hittegolven – hoe langetermijn-temperatuurreeksen het gangbare klimaatverhaal ter discussie stellen.
Oud-directeur NatLab haalt heilige klimaathuisjes omver
Ad Huijser is oud-directeur van het beroemde NatLab in Eindhoven. Hij heeft zich de laatste jaren intensief bezig gehouden met het onderwerp klimaatverandering en toont vanwege zijn achtergrond als fysicus vaak een ‘frisse’ blik op de problematiek (zie ook dit essay: De Klimaatillusie, uit onze webshop). Dat hij daarbij af en toe heilige huisjes omver haalt, is logisch en soms noodzakelijk, stelt Rob de Vos naar aanleiding van een recente discussie.
Oud-hoofdeconoom ABN AMRO: ‘Het klimaatbeleid behoeft een vergaande aanpassing’
Oud-hoofdeconoom van ABN AMRO Han de Jong, plaatst de recente ommezwaai van de EU over kernenergie in een goede trend naar meer klimaatrealisme. Toch vindt hij de berichtgeving over klimaat in veel media nog altijd uiterst eenzijdig. “Maar uiteindelijk kan het negeren en verdacht maken van inzichten die haaks staan op het alarmistische narratief, geen standhouden.”






