RCP8.5 is geschrapt: wat betekent dat?
Het CERES-team onder leiding van Ronan Connolly heeft op 25 mei j.l. een artikel doen verschijnen over het verdwijnen van het IPCC scenario RCP8.5. Daar is de afgelopen dagen al het een en ander over geschreven, maar Rob de Vos wil u dit uitstekende verhaal niet onthouden. Daarom de vertaling in het Nederlands:
RCP8.5 is geschrapt: wat het betekent — en wat het níét betekent
„The United Nations TOP Climate Committee just admitted that its own projections (RCP8.5) were WRONG! WRONG! WRONG!” – Donald J. Trump, 16 mei 2026.
De ontwikkelaars van de emissiescenario’s voor het volgende grote IPCC-rapport (AR7) hebben officieel afscheid genomen van RCP8.5. Dat was jarenlang het beruchte hoog-emissiescenario dat als het standaard “business-as-usual”-plaatje werd gebruikt (Van Vuuren et al. 2026).
Wij van CERES waren in 2020 een van de eersten die in een peer-reviewed artikel fel kritiek leverden op het gebruik van RCP8.5 (Connolly et al. 2020). We verwelkomen deze beslissing dan ook van harte. Toch is het verhaal genuanceerder dan president Trumps triomfantelijke “FOUT! FOUT! FOUT!” doet vermoeden. Minder spectaculair, maar wetenschappelijk wel degelijk relevant.
Het schrappen van RCP8.5 is een stap in de goede richting. Maar het IPCC blijft sterk leunen op computermodellen die extreem gevoelig zijn voor veranderingen in broeikasgasconcentraties. Daardoor worden de nieuwe “business-as-usual”-projecties misschien iets minder extreem, maar het risico op “alarm-as-usual” blijft groot.
In dit essay leggen we uit wat RCP8.5 precies inhield, waarom het vanaf het begin problematisch was, en wat deze wijziging werkelijk betekent.
Wat is RCP8.5 precies en waarom was het zo significant?
Volgens de huidige klimaatmodellen wordt klimaatverandering vooral gedreven door de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer. De meeste van die gassen komen van nature voor, maar menselijke activiteiten zoals energieverbruik en landbouw stoten er extra van uit. Daarom houden de VN en veel modelbouwers er al decennia aan vast dat wij verantwoordelijk zijn voor “antropogene opwarming” (AGW) – een deftig woord voor door de mens veroorzaakte opwarming.
Al meer dan dertig jaar definieert de VN via het Klimaatverdrag (UN FCCC) vrijwel alle klimaatverandering per definitie als menselijk, zoals dr. Roger Pielke Jr. in 2005 in een belangrijk artikel aangaf (Pielke Jr., 2005). Dat gebeurt telkens weer tijdens de jaarlijkse COP-toppen.
Dit brengt ons bij de zogeheten RCP-scenario’s, voluit “Representative Concentration Pathways” (Meinshausen et al. 2011). Voor het vijfde Assessment Report van het IPCC kregen de bouwers van klimaatmodellen vier verschillende projecties mee. Die beschreven hoe broeikasgasemissies – en de daaruit voortvloeiende concentraties – er in de komende eeuwen uit zouden kunnen zien.
Elk scenario kreeg een nummer dat de theoretische extra “radiative forcing” aangaf: de extra hoeveelheid energie die volgens broeikasgasmodellen in het klimaatsysteem zou worden vastgehouden tegen het einde van de 21e eeuw. Dit wordt uitgedrukt in watt per vierkante meter. De vier waarden waren: 8,5, 6,0, 4,5 en 2,6 W/m².
In sectie 5.3 van ons artikel Connolly et al. (2020) gaan we dieper in op de wetenschappelijke waarde van deze theoretische radiative forcing-berekeningen voor ons begrip van het klimaat. Binnen de klimaatmodellengemeenschap is de grootte van dit uiteindelijke getal echter doorslaggevend voor hoeveel opwarming van de aarde de modellen voorspellen. Daarom werden de scenario’s eenvoudigweg naar dat getal vernoemd: RCP8.5, RCP6.0, RCP4.5 en RCP2.6.
Wanneer je de scenario’s goed bekijkt, gingen RCP2.6, RCP4.5 en RCP6.0 er allemaal van uit dat overheden stevig zouden ingrijpen om de uitstoot terug te dringen. RCP8.5 was het enige scenario zonder grote beleidsingrepen. Precies daarom werd het al snel het standaard “business-as usual”-scenario.
Dat had grote gevolgen: duizenden wetenschappelijke artikelen baseerden hun toekomstvoorspellingen op RCP8.5 en schilderden een beeld van wat er gebeurt “als we niks doen”. Dat scenario is nu geschrapt.
Waarom was RCP8.5 vanaf het begin onrealistisch en waarom verdwijnt het officieel?
Al in 2017 wezen economen Ritchie en Dowlatabadi erop dat RCP8.5 uitging van een absurd sterke toename van steenkoolgebruik — zoveel dat er meer dan vijf keer de bekende mondiale reserves zouden worden verbrand. Ze noemden het “uitzonderlijk onwaarschijnlijk”. Prof. Ritchie kreeg bijval van anderen, waaronder prof. Pielke Jr., (R. A. Jr. Pielke en Ritchie 2021; Burgess et al. 2020).
Andere critici, zoals Hausfather en Peters (2020), vonden het scenario onrealistisch omdat overheden juist aan het vergroenen waren. Het recente besluit van het IPCC lijkt vooral op die argumenten gebaseerd te zijn : “de hoge emissieniveaus van CMIP6 (gekwantificeerd door SSP5-8.5) zijn onwaarschijnlijk geworden, gebaseerd op trends in de kosten van hernieuwbare energie, de opkomst van klimaatbeleid en recente emissietrends” – Van Vuuren et al. (2026), hoewel ze ook de kritiek van Ritchie & Dowlatabadi als een belangrijke factor noemden.
Onze kritiek in 2020 kwam vanuit een andere hoek. Wij stelden een fundamentelere vraag:
Wat was ons doel met de publicatie Connolly et al. (2020)?
Na de Parijse klimaattop van 2015 beloofden alle landen de opwarming “ruim onder 2 °C” te houden, liefst 1,5 °C. Maar wat betekende dat concreet? Welke maatregelen waren daarvoor nodig? Hoeveel opwarming verwachten we zonder ingrijpen? En wat is eigenlijk “pre-industrieel”? De aarde heeft immers door de eeuwen heen warme en koude periodes gekend.
Wij stelden daarom de kernvraag: Hoeveel door de mens veroorzaakte opwarming moeten we verwachten als we gewoon op de huidige koers doorgaan (business-as-usual)? (Connolly et al. (2020) Die vraag bleek af te hangen van vier deelvragen:
- Hoeveel broeikasgassen stoten we uit bij ongewijzigd beleid?
- Hoeveel daarvan blijft in de atmosfeer?
- Hoe groot is het menselijke aandeel in de opwarming die we al zien?
- Hoe gevoelig is het klimaat eigenlijk voor extra broeikasgassen?
In een uitgebreid, methodisch artikel gingen we al die vragen systematisch na, op basis van beschikbare data en verschillende wetenschappelijke visies. Vervolgens stelden we een ‘best guess’ samen van wat we konden verwachten als trends “business-as-usual” zouden doorgaan, dus gebaseerd op huidige trends.
We waarschuwden echter meteen dat dit een typisch multidisciplinair probleem is. Bij elk van de vier vragen woedt een stevige discussie in de wetenschappelijke literatuur. Het opvallende is dat de relevante studies voor elke vraag uit heel verschillende academische disciplines komen.
De eerste vraag – over toekomstige emissies – wordt vooral behandeld door economen, politicologen en onderzoekers op het gebied van milieubeheer. De tweede vraag – hoeveel van die gassen in de atmosfeer blijven – is het domein van biologen, ecologen, geochemici en oceanografen. De derde en vierde vraag vallen onder de klimaatwetenschap, maar ook daar lopen de stromingen sterk uiteen: van computermodellengroepen tot teams die klimaatarchieven reconstrueren en statistici die meta-analyses uitvoeren.
Wij stellen dan ook dat het onwaarschijnlijk is dat we werkelijk bevredigende antwoorden krijgen op de centrale vraag – “Hoeveel door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde moeten we verwachten bij Business-As-Usual klimaatbeleid?” – als het wetenschappelijke debat over al deze vier aspecten niet tegelijkertijd wordt meegenomen. Connolly et al. (2020), p3.
Q1. Hoeveel broeikasgassen zullen we uitstoten als we de huidige trends voortzetten?
We zagen hierboven dat veel van het debat over RCP8.5 zich richtte op hoe beleid in de toekomst wel of niet zou kunnen veranderen. In plaats van te speculeren over ingewikkelde potentiële “scenario’s” over “wat als” en “wat als niet” kozen we voor een eenvoudige benadering: kijk naar de emissietrends van de afgelopen 50-70 jaar en trek die door.
Wat gebeurt er wanneer we dit business-as-usual -emissiescenario (grijze envelop met zwarte stippellijn in de grafieken hieronder) vergelijken met de RCP-scenario’s? Voor de eenvoud kijken we alleen naar CO₂-emissies (in het artikel behandelen we ook de andere twee belangrijkste antropogene broeikasgassen, CH₄ en N₂O).
Zodra we de grafiek hieronder plotten, was het duidelijk dat het RCP8.5-scenario nooit “business-as-usual” was. Merk op hoe het RCP8.5-scenario snel boven de werkelijke business-as-usual -envelop uitkomt en daarboven blijft.
Fig.1Fig.1
Voor ons was RCP8.5 duidelijk geen “business-as-usual”-scenario. Geen van de andere RCP-scenario’s die aan de modelbouwers werden aangeboden overigens ook niet.
Vreemd genoeg had het allereerste IPCC-rapport al in 1990 (36 jaar geleden) met “Scenario A” een business-as-usual-projectie ontwikkeld die opmerkelijk goed overeenkwam met onze empirische fit die we 30 jaar later in ons artikel van 2020 ontwikkelden. Zie hieronder:
Fig.2
Waarom bleven de IPCC-modellenbouwers niet gewoon bij dat 36 jaar oude “Scenario A” als hun “business-as-usual”? We weten het niet. Cynici zouden kunnen suggereren dat het niet genoeg “hete” resultaten opleverde – misschien wilden de computermodellen hun simulaties “oppeppen” met wat extra “opwarming”? Of misschien leek het oudere Scenario A gewoon te ouderwets?
Maar wat de reden ook was, de extra opwarming die de RCP8.5-simulaties toevoegden werkte als een ‘drug’ voor de modelbouwers. Het werd routine om het scenario als “business-as-usual” te zien.
Voor het 6e Assessment Report (AR6, 2021) probeerden de scenariogroepen iets meer balans aan te brengen en introduceerden ze intermediaire scenario’s in de bijgewerkte “SSP/RCP”-scenario’s, bv. “SSP3-7.0 (Baseline)” met een stralingsforcing van 7,0 in 2100 in plaats van 8,5. Maar ze lieten het 8,5-scenario als tweede “baseline” staan: “SSP5-8.5 (Baseline)”. En zo bleven de 8,5-scenario’s de computermodelsimulaties van “business-as-usual” domineren.
Hoewel veel van de recente discussie over RCP8.5 zich richtte op welke emissies we kunnen verwachten als de samenleving business-as-usual voortzet, benadrukten wij in ons artikel dat dit slechts de eerste stap was. De volgende vraag is vaststellen hoeveel van die emissies we onder business-as-usual in de atmosfeer mogen verwachten…
Q2. Hoeveel van die emissies zullen in de atmosfeer blijven?
Met directe metingen op Mauna Loa sinds 1958 weten we dat de CO₂-concentratie is gestegen van ongeveer 0,031% naar 0,043%.
Fig.3
Er zijn verschillende pogingen gedaan om te schatten hoe CO₂ in de atmosfeer is veranderd in de jaren vóór de Mauna Loa-metingen. Het IPCC en velen anderen vertrouwen op de schattingen aan de hand van Antarctische ijskernen. Deze impliceren dat CO₂ de afgelopen paar duizend jaar slechts een geringe variatie kende – tussen 0,027 en 0,029% – zie de grijze band in de figuur hierboven.
Het feit dat door de mens veroorzaakte CO₂-emissies toenemen en CO₂-concentraties ook toenemen, heeft velen overtuigd dat we ons alleen op het emissiedeel hoeven te richten. Maar wanneer je de jaarlijkse door de mens veroorzaakte (“antropogene”) emissies omzet in de verwachte stijging van CO₂-concentraties, ontstaat er een probleem.
Zoals te zien is in de grafiek hieronder, is de werkelijke verandering in CO₂-concentraties (“waargenomen verandering” in groen) veel ruwer en veel kleiner dan de door de mens veroorzaakte emissies (“antropogene emissies” in rood)!
Fig.4
In de wetenschappelijke literatuur staat de fractie van de uitgestoten CO₂ die in de atmosfeer blijft bekend als de “airborne fraction”. Dit is eenvoudigweg de groene lijn gedeeld door de rode lijn. Hieronder is hij uitgezet:
Fig.5
We zien dat gemiddeld slechts ongeveer 44% (airborne fractie = 0,44) van de uitgestoten CO₂ in de atmosfeer blijft. Maar de broeikasgaseffecttheorie is gebaseerd op atmosferische concentraties, niet op emissies. Dus als je wilt voorspellen hoeveel door de mens veroorzaakte opwarming je bij business-as-usual kunt verwachten, moet je de verwachte emissies omzetten in verwachte concentraties. Daarom moet je ook schatten hoe de airborne fraction zal veranderen.
Voor onze analyse besloten we dat de meest logische aanname is om ervan uit te gaan dat “business-as-usual”-omstandigheden betekent dat de airborne fractie ook “business-as-usual” zal doorgaan zoals sinds de metingen in 1958. Toen we de RCP-scenario’s analyseerden, ontdekten we echter dat de RCP-scenario’s die aanname NIET doen – zie grafiek hieronder.
Fig.6
Hoewel alle RCP-scenario’s beginnen met een airborne fractie die vergelijkbaar is met het historische gemiddelde, tonen meerdere van hen grote veranderingen in de airborne fractie tijdens de 21e eeuw die niet “business-as-usual” zijn, d.w.z. ze wijken af van de grijze envelop hierboven.
Belangrijk is dat RCP8.5 een langetermijnstijging van de airborne fractie gedurende de hele eeuw had ingebouwd. Dit betekende dat het scenario, naast emissies die ver boven “business-as-usual” lagen, ook projecteerde dat de concentraties nog sterker zouden stijgen dan verwacht. Zelfs voor RCP6.0 projecteerden de scenario’s een stijgende airborne fraction.
Uiteindelijk vonden we dat onze eenvoudige semi-empirische “business-as-usual”-projecties voor toekomstige concentraties veel lager waren dan RCP8.5 – waarschijnlijk veel dichter bij RCP6.0 – zie hieronder.
Fig.7
Het RCP8.5-scenario had NOOIT als “business-as-usual” mogen worden behandeld. En het is goed dat ze het eindelijk uit hun nieuwe scenario’s hebben verwijderd.
In ons artikel gingen we echter verder. De Overeenkomst van Parijs ging specifiek over het beperken van “opwarming van de aarde” tot minder dan 2℃. Maar de RCP-scenario’s vertellen ons alleen welke emissies en concentraties we bij verschillende scenario’s kunnen verwachten. Dat vertelt ons niet welke mondiale temperatuurveranderingen we kunnen verwachten. Dat leidde ons naar de volgende vraag:
Q3. Hoeveel van de reeds waargenomen opwarming is door de mens veroorzaakt?
De Overeenkomst van Parijs stelde dat landen hun best zouden doen om de opwarming van de aarde “ruim onder 2 °C boven pre-industriële niveaus” te houden. Maar wat betekent “pre-industriële niveaus”?
Zoals Pielke Jr. (2005) had aangetoond, negeerde de definitie van “klimaatverandering” in het VN-Framework Convention on Climate Change expliciet alle natuurlijke veranderingen in het klimaat. Maar paleoklimatologische studies met boomringen, sedimenten en andere “temperatuurproxy’s” hebben aangetoond dat de aarde de afgelopen duizend jaar en eerder verschillende periodes van opwarming en afkoeling heeft doorgemaakt – lang voor de Industriële Revolutie. Het definiëren van “pre-industriële niveaus” is dus zeer subjectief – kies je het einde van de “Kleine IJstijd” in de 19e eeuw, of kies je het Middeleeuws Warmteperiode ten tijde van de Vikingen?
Temperatuurproxy-reconstructies zijn onderwerp van voortdurend wetenschappelijk debat. Maar we toonden aan dat, ongeacht of je “de hockeystick-grafiek” kiest of een reconstructie met een warme Middeleeuwse Warmteperiode, het idee dat er één constante “globale temperatuur” voor “pre-industriële niveaus” bestond, dwaas is – zie hieronder:
Fig.8
In essentie was de obsessie van de VN om alle klimaatverandering per definitie als “door de mens veroorzaakt” te definiëren onwetenschappelijk. Als we een wetenschappelijk antwoord op onze vraag willen krijgen, moeten we de mogelijkheid overwegen dat een deel of alle opwarming sinds het einde van de Kleine IJstijd niets te maken heeft met door de mens veroorzaakte broeikasgasemissies.
De Overeenkomst van Parijs vergat dat te doen. Daardoor werd die Overeenkomst volkomen betekenisloos, omdat ze vergaten rekening te houden met door de natuur veroorzaakte mondiale temperatuurveranderingen. De Overeenkomst van Parijs had als doel dat beleidsmakers beleid zouden implementeren dat de snelheid van door de mens veroorzaakte opwarming kon verminderen. Maar per definitie kunnen wij mensen de snelheid van natuurlijke opwarming of afkoeling niet beïnvloeden. Door de slechte formulering van de Overeenkomst konden de krachten van de natuur het succes of falen van eventueel beleid volledig tenietdoen!
In ons artikel stelden we een eenvoudige oplossing voor. We gaan er eenvoudig van uit dat de tekst in de Overeenkomst van Parijs “door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde, ruim onder 2 °C boven pre-industriële niveaus” bedoelde. We kunnen ons dan richten op elke opwarming die te wijten is aan stijgingen in atmosferische broeikasgasconcentraties van door de mens veroorzaakte emissies.
Dit geeft ons een relatief objectieve maatstaf voor het definiëren van “pre-industriële niveaus” – in plaats van ons zorgen te maken over pre-industriële globale temperaturen, kunnen we kijken naar pre-industriële niveaus van broeikasgasconcentraties.
Zoals we eerder zagen, leveren de ijskernen uit Antarctica een vrij helder beeld op van de pre-industriële CO₂-niveaus. Daarin schommelde de concentratie bijvoorbeeld tussen 0,027 en 0,029 procent.
Toch is dat niet het hele verhaal. In ons artikel wezen we erop dat andere wetenschappelijke methodes – zoals ijskernen uit Groenland, de grootte van huidmondjes op fossiele plantenbladeren en historische metingen van wetenschappers sinds het einde van de 19e eeuw – juist een veel grotere natuurlijke variatie in CO₂-concentraties laten zien. Wij pleitten ervoor om die opvallend verschillende resultaten met een open blik te onderzoeken.
Voor onze analyse namen we echter expliciet aan dat de door het IPCC geprefereerde schattingen, d.w.z. de Antarctische ijskernschattingen, correct zijn. Daarom hangt de hoeveelheid “door de mens veroorzaakte opwarming” die we bij business-as-usual kunnen verwachten af van de stijging van broeikasgasconcentraties boven deze Antarctische ijskernschattingen.
Maar we hadden nog één vraag te beantwoorden:
Q4. Hoe sterk warmen broeikasgassen de planeet op?
De laatste vraag, maar misschien wel de belangrijkste en meest controversiële: hoeveel opwarming van de aarde moeten we verwachten bij een gegeven stijging van broeikasgassen? Dit wordt meestal besproken in termen van “klimaatgevoeligheid”, d.w.z. hoeveel opwarming van de aarde moet worden verwacht bij een verdubbeling van de kooldioxideconcentraties?
Dit klinkt als een vrij basale eigenschap die we zouden moeten kennen voordat we debatteren over vragen zoals of we de “opwarming van de aarde” moeten proberen te beperken tot 1,5℃ of 2℃, maar wetenschappers verschillen echter sterk van mening over de grootte van die “klimaatgevoeligheid”.
De debatten begonnen bij de verschillende modelbouwers. Eind jaren 1970 probeerden modelbouwers de effecten van stijgende kooldioxide te modelleren door een simulatie met huidige concentraties uit te voeren en vervolgens een identieke simulatie met het dubbele van de concentratie.
Ze vergeleken vervolgens de gemiddelde globale temperaturen van beide simulaties. De extra opwarming in de verdubbelde modelwereld werd bekend als de “equilibrium climate sensitivity” (ECS), maar elk computermodel gaf een andere waarde. De verschillen waren substantieel. Het invloedrijke “Charney Report” uit 1979 (Charney 1979) concludeerde dat de ECS elke waarde tussen 1,5℃ en 4,5℃ kon zijn. Dat is een behoorlijk breed bereik. De hoogste waarde voorspelde drie keer zoveel opwarming als de laagste.
Misschien denk je: “Dat was 1979 – computers waren erg primitief en klimaatwetenschap was nog een relatief jong vakgebied – ze zullen hun schattingen nu wel verfijnd hebben?” Fout. Het 5e Assessment Report van het IPCC (2013) concludeerde dat de ECS “waarschijnlijk” tussen 1,5℃ en 4,5℃ lag. Exact hetzelfde bereik als in 1979. En dat was het “waarschijnlijke” bereik. Het IPCC gaf toe dat de werkelijke waarde mogelijk hoger of lager kon zijn.
Knutti et al. (2017) vatten het probleem samen met de volgende grafiek die het bereik van ECS-schattingen toont die in de wetenschappelijke literatuur zijn gepubliceerd:
Fig. 9 Verschillende schattingen van de “equilibrium climate sensitivity” (ECS). Op basis van Figuur 2 van Knutti et al. (2017).
Welke waarde (als er al een is) is correct? Soortgelijke debatten lopen sinds de jaren 1980 ook over een alternatieve maatstaf voor klimaatgevoeligheid genaamd de “Transient Climate Response” (TCR). Wetenschappers verschillen nog steeds sterk van mening over de klimaatgevoeligheid. Geen wonder dat het berekenen van door de mens veroorzaakte opwarming bij business-as-usual nog steeds onzeker is.
Voor onze uiteindelijke analyse hebben we, in plaats van te proberen te beslissen wat de werkelijke ECS (of TCR) is, een reeks mogelijke waarden overwogen. Voor elke waarde berekenden we hoeveel door de mens veroorzaakte opwarming we bij business-as-usual tot 2100 kunnen verwachten.
Hieronder staan de resultaten voor de ECS-waarden – zie het artikel voor de equivalente projecties voor TCR.
Fig.10
Een opvallend resultaat is dat als de ECS groter is dan 4℃, de Overeenkomst van Parijs om de door de mens veroorzaakte opwarming onder 2℃ te houden binnen 35-45 jaar gebroken zou zijn als we business-as-usual voortzetten. Maar als de ECS lager is dan 2℃, dan zou de Overeenkomst van Parijs voor de hele 21e eeuw worden nageleefd, zelfs als we business-as-usual voortzetten. Toch zeiden de IPCC-rapporten dat het “waarschijnlijke” bereik van mogelijke waarden voor ECS nog breder is, d.w.z. alles van 1,5 tot 4,5℃. We vonden vergelijkbare resultaten voor TCR.
Dit leidde tot onze uiteindelijke conclusie: “Daarom hebben de huidige ‘waarschijnlijke’-reekschattingen van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) voor TCR van 1,0 tot 2,5℃ en ECS van 1,5 tot 4,5℃ nog niet vastgesteld of door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde een probleem is voor de 21e eeuw.”
Waarom het schrappen van RCP8.5 een belangrijke stap is, maar niet het einde van de paniek van de VN over klimaatverandering?
Wat is uiteindelijk de betekenis van het schrappen vallen van RCP8.5 uit de scenario’s van het IPCC? Het is een goede stap in de juiste richting dat ze RCP8.5 lieten vallen omdat het “onwaarschijnlijk is geworden”, zoals onze analyse in 2020 aantoonde – en zoals anderen hebben aangetoond (Ritchie en Dowlatabadi 2017b, 2017a; Burgess et al. 2020; R. A. Jr. Pielke en Ritchie 2021) – was RCP8.5 nooit plausibel als “business-as-usual”-scenario. Toch werd het, omdat het het enige RCP-scenario was dat geen expliciete grote “klimaatmitigatie”-beleidsmaatregelen voor de 21e eeuw omvatte, bij gebrek aan beter het scenario dat door demodellengroepen werd gebruikt om “business-as-usual”-klimaatveranderingen te simuleren.
Helaas vrezen we dat dit slechts een kleine stap in de juiste richting is. Het IPCC lijkt nog steeds te vertrouwen op de huidige modellen voor hun “klimaatveranderingsprojecties”. Maar zoals we in het artikel bespreken, komen de meeste hoogste schattingen van de “klimaatgevoeligheid” uit modellen. Dus zelfs met een realistischer “business-as-usual”-emissiescenario zullen hun modellen nog steeds dramatische “door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde” simuleren. Conclusie: een stap vooruit, maar geen revolutie.
Deze vertaling werd oorspronkelijk gepubliceerd op klimaatgek.nl, op 27 mei 2026
Links
- Burgess, Matthew G., Justin Ritchie, John Shapland, and Roger Pielke. 2020. “IPCC Baseline Scenarios Have Over-Projected CO2 Emissions and Economic Growth.” Environmental Research Letters 16 (1): 014016. https://doi.org/10.1088/1748-9326/abcdd2.
- Charney, Jule. 1979. Carbon Dioxide and Climate: A Scientific Assessment 1979. National Research Council. https://doi.org/10.17226/12181.
- Connolly, Ronan, Michael Connolly, Robert M. Carter, and Willie Soon. 2020. “How Much Human-Caused Global Warming Should We Expect with Business-As-Usual (BAU) Climate Policies? A Semi-Empirical Assessment.” Energies 13 (6): 1365. https://doi.org/10.3390/en13061365.
- Hausfather, Zeke, and Glen P. Peters. 2020. “Emissions – the ‘Business as Usual’ Story Is Misleading.” Nature 577 (7792): 7792. https://doi.org/10.1038/d41586-020-00177-3.
- Knutti, Reto, Maria A. A. Rugenstein, and Gabriele C. Hegerl. 2017. “Beyond Equilibrium Climate Sensitivity.” Nature Geoscience 10 (10): 727–36. https://doi.org/10.1038/ngeo3017.
- Meinshausen, Malte, S. J. Smith, K. Calvin, et al. 2011. “The RCP Greenhouse Gas Concentrations and Their Extensions from 1765 to 2300.” Climatic Change 109 (1): 1. https://doi.org/10.1007/s10584-011-0156-z.
- Pielke, Roger A. 2005. “Misdefining ‘Climate Change’: Consequences for Science and Action.” Environmental Science & Policy, Mitigation and Adaptation Strategies for Climate Change, vol. 8 (6): 548–61. https://doi.org/10.1016/j.envsci.2005.06.013.
- Pielke, Roger A. Jr., and Justin Ritchie. 2021. “How Climate Scenarios Lost Touch With Reality.” Issues in Science and Technology, July 26. https://issues.org/climate-change-scenarios-lost-touch-reality-pielke-ritchie/.
- Report of the Conference of the Parties on Its Twenty-First Session, Held in Paris from 30 November to 13 December 2015. Addendum. Part Two: Action Taken by the Conference of the Parties at Its Twenty-First Session. | UNFCCC (2016). https://unfccc.int/documents/9097.
- Ritchie, Justin, and Hadi Dowlatabadi. 2017a. “The 1000 GtC Coal Question: Are Cases of Vastly Expanded Future Coal Combustion Still Plausible?” Energy Economics 65 (June): 16–31. https://doi.org/10.1016/j.eneco.2017.04.015.
- Ritchie, Justin, and Hadi Dowlatabadi. 2017b. “Why Do Climate Change Scenarios Return to Coal?” Energy 140 (December): 1276–91. https://doi.org/10.1016/j.energy.2017.08.083.
- Van Vuuren, Detlef P., Brian C. O’Neill, Claudia Tebaldi, et al. 2026. “The Scenario Model Intercomparison Project for CMIP7 (ScenarioMIP-CMIP7).” Geoscientific Model Development 19 (7): 2627–56. https://doi.org/10.5194/gmd-19-2627-2026.
Aanbevolen
- Hausfather, Peters & Foster. Substack, May 18, 2026. https://www.theclimatebrink.com/p/on-the-death-of-rcp85. They agree RCP8.5 should have been dropped but dispute Trump’s assertion that it was “wrong”. They argue that RCP8.5 was dropped because society has been reducing their emissions trajectory through green policies.
- Pielke Jr. Substack, May 18, 2026. https://rogerpielkejr.substack.com/p/no-rcp85-did-not-become-implausible. Pielke argues that RCP8.5 was never plausible from the beginning and it has nothing to do with recent policies.
- Connolly, Connolly & Soon. Apr 15, 2021. https://www.ceres-science.com/post/how-much-global-warming-should-we-expect-under-business-as-usual-policies. An earlier summary of our Connolly et al. (2020) paper.
meer nieuws
Bosbranden Zuid-Europa nemen af
Bosbranden Zuid-Europa nemen af Paul Homewood van de website “Not al lot of people know that” houdt regelmatig de bosbranden bij die traditioneel elk jaar in Zuid Europa ontstaan. De data zijn afkomstig van een tweetal Europese instanties, namelijk Copernicus en EEA. Overgenomen van klimaatgek. Bron: Shutterstock [...]
Kritiek uiten op klimaatwetenschappers kan je duur komen te staan
Kritiek uiten op klimaatwetenschappers kan je duur komen te staan Overgenomen van Indepen. Marcel Crok is sinds deze week columnist voor Indepen.nl. Zijn bijdragen zullen enkele dagen later ook op de Clintel-website verschijnen. Hieronder zijn eerste stuk. Foto: ANP Marcel Crok Datum: 1 [...]
Meneer Kuipers Munneke, waarom niet wat meer bescheidenheid?
Meneer Kuipers Munneke, waarom niet wat meer bescheidenheid? Commerciële klimaatgoeroes, als Kuipers Munneke, verdienen wel veel geld met hun alarmerende klimaatverhalen maar als we kijken naar de gevolgen voor de jeugd, de burgers en de ondernemers in ons land, dan kunnen we die dubieuze goeroes missen als kiespijn. [...]















