“Net Zero drijft de energiekosten op en ondermijnt het elektriciteitsnet”
De Britse energieanalist David Turver heeft een ongezouten beoordeling gegeven van het energiebeleid van het Verenigd Koninkrijk. Hij stelt dat het streven naar Net Zero elektriciteit steeds duurder maakt, de werking van het elektriciteitsnet bemoeilijkt en de conventionele energieopwekking ondermijnt.
In een interview met de Global Warming Policy Foundation over zijn nieuwe rapport voor het Prosperity Institute, Good Money After Bad, zette David Turver vraagtekens bij de veelgehoorde bewering dat hernieuwbare energie goedkoop is. Zijn belangrijkste argument is dat vergelijkingen die uitsluitend gebaseerd zijn op de kosten voor het opwekken van een megawattuur uit wind of zon, voorbijgaan aan de aanzienlijke kosten die dit met zich meebrengt voor het bredere elektriciteitssysteem. “Hernieuwbare energie is niet goedkoop. In feite behoort het tot de duurste bronnen van elektriciteit die we hebben.”
U kunt het volledige interview hier bekijken:
Turver stelt dat officiële vergelijkingen tussen gas en offshore wind misleidend kunnen zijn, omdat ze geen gelijkwaardige elementen met elkaar vergelijken. Aan gasgestookte opwekking worden mogelijk relatief hoge kosten toegerekend, omdat bij de berekeningen wordt uitgegaan van een lage capaciteitsfactor en er aanzienlijke CO2-heffingen worden meegerekend. Offshore wind wordt daarentegen doorgaans vergeleken op basis van de uitoefenprijs (strike price) of de genivelleerde kosten, zonder volledig rekening te houden met de extra infrastructuur die nodig is om variabele opwekking in het elektriciteitssysteem te integreren.
25 miljard pond
Die extra kosten omvatten balanceringsmaatregelen, reservecapaciteit en transmissie. Turver zegt dat deze kosten steeds belangrijker worden naarmate Groot-Brittannië meer (variabele) windenergie toevoegt. De kosten voor netintegratie zullen in het Verenigd Koninkrijk naar verwachting stijgen van ongeveer 8 miljard pond in 2024–25 tot meer dan 25 miljard pond in 2030–31. Alleen al de transmissiekosten zullen naar verwachting ongeveer 13,5 miljard pond bedragen, terwijl de kosten van de capaciteitsmarkt zouden kunnen stijgen tot ongeveer 4,4 miljard pond. Ook de subsidies voor hernieuwbare energie zullen naar verwachting toenemen, van ongeveer 12 miljard pond tot meer dan 15 miljard pond in dezelfde periode.
Het gevolg hiervan is, zo stelt Turver, dat de economische aspecten van de Britse energietransitie aan het veranderen zijn. Subsidies vormden van oudsher de meest zichtbare kostenpost van het beleid inzake hernieuwbare energie, maar de kosten voor netintegratie worden nu nog groter. Een groot deel van deze uitgaven is verwerkt in de netkosten in plaats van dat ze direct als subsidie voor hernieuwbare energie worden weergegeven, waardoor ze voor consumenten minder zichtbaar zijn.
Dit helpt verklaren waarom elektriciteitsrekeningen hoog kunnen blijven, zelfs wanneer de groothandelsprijzen voor energie dalen. De groothandelscomponent is slechts een onderdeel van de uiteindelijke rekening, terwijl netkosten, subsidies en beleidsgestuurde heffingen blijven stijgen. Turver is bijzonder kritisch over de beweringen van de regering dat de uitbreiding van hernieuwbare energie de rekeningen zal verlagen.
Afschaffen van CO2-belastingen
Turver wijst op de economische schade door de hoge energieprijzen. Bedrijven sluiten nu al hun deuren of verplaatsen hun productie naar het buitenland, zegt hij, omdat de Britse energiekosten te hoog zijn.
Zijn voorkeurshervorming zou verder gaan dan het heronderhandelen van bestaande contracten. Turver pleit voor het afschaffen van CO2-belastingen en subsidies voor hernieuwbare energie, terwijl hernieuwbare energieproducenten worden verplicht de volledige kosten te betalen die zij het systeem opleggen. “Laten we de CO2-belastingen afschaffen, laten we de subsidies voor hernieuwbare energie afschaffen en laten we variabele hernieuwbare energiebronnen hun eigen integratiekosten betalen.“
Dat zou betekenen dat wind- en zonne-energie zelf moeten betalen voor hun eigen back-up, balancerings- en transmissiebehoeften. Turver is van mening dat het blootstellen van producenten aan de volledige systeemkosten een echte markttest zou opleveren. Hij voorspelt dat er onder dergelijke omstandigheden relatief weinig nieuwe, op het net aangesloten wind- en zonne-energieprojecten zouden worden gebouwd, hoewel bestaande projecten wellicht zouden blijven draaien als hun contante exploitatiekosten onder de marktprijs zouden blijven.
Het bredere probleem is volgens Turver dat de Britse elektriciteitsmarkt onnodig ingewikkeld is geworden. Hij stelt dat de markt redelijk goed functioneerde voordat opeenvolgende subsidies en regelgeving de prikkels voor producenten veranderden. Producenten van hernieuwbare energie mochten in feite concurreren op basis van hun groothandelskosten, terwijl andere kosten naar andere delen van het systeem werden verschoven.
Het resultaat is volgens hem een “Gordiaanse knoop” van subsidies, capaciteitsvergoedingen, balanceringsmechanismen en andere ingrepen. Conventionele gasopwekking is hierdoor bijzonder hard getroffen, omdat gesubsidieerde variabele opwekking het aantal uren vermindert waarin gascentrales rendabel kunnen draaien. Toch blijven gascentrales juist waardevol omdat ze inzetbare stroom kunnen leveren wanneer de productie van wind- en zonne-energie daalt.
Gas
Turver ziet gas daarom voor de nabije toekomst als een belangrijk onderdeel van het Britse elektriciteitssysteem. Hij stelt dat het bestaande ‘gaspark’ veroudert en dat er mogelijk nieuwe gascapaciteit nodig is om de leveringszekerheid te waarborgen. Koolstofbelastingen, zegt hij, verhogen de kosten van elektriciteit uit gas aanzienlijk, terwijl de variabele aard van hernieuwbare energiebronnen extra vraag creëert naar flexibele conventionele opwekking.
Hij staat eveneens sceptisch tegenover koolstofafvang en -opslag (CCS). Volgens zijn interpretatie is CCS in wezen een poging om de behoefte van de overheid aan flexibele gasopwekking te verzoenen met haar ‘Net Zero’-doelstellingen. De technologie zou CO2 uit gasgestookte elektriciteitscentrales afvangen en deze transporteren voor ondergrondse opslag.
Turver vindt de economische aspecten zeer onaantrekkelijk. Hij stelt dat het afvangen van CO2 de efficiëntie van gasgeneratoren met ongeveer 20% vermindert, waardoor de kosten stijgen, terwijl er bovendien aanzienlijke overheidssteun nodig is. Hij schat dat de overheid in 15 tot 20 jaar tijd ongeveer 25 miljard pond aan CCS zou kunnen uitgeven. Hij vraagt zich ook af of de technologie op grote schaal al voldoende technische en economische haalbaarheid heeft aangetoond. Directe afvang van CO2 uit de lucht krijgt van Turver een nog sceptischer beoordeling.
Een ander punt van zorg is de fysieke stabiliteit van het elektriciteitsnet. Turver bespreekt het onderzoek naar een incident waarbij de netfrequentie in Groot-Brittannië aanzienlijk onder het normale werkingsbereik daalde. Het incident vond plaats op 23 juni en volgens zijn verslag daalde de frequentie tot onder 49,7 Hz en bleef deze ongewoon lang buiten het normale bereik. Netbeheerders moesten uiteindelijk de elektriciteitsexport naar Nederland en Frankrijk verminderen om de stabiliteit van het Britse eigen systeem te beschermen.
Inertie
Turver brengt dit probleem in verband met de afnemende netinertie. Traditionele thermische elektriciteitscentrales bevatten grote roterende machines waarvan de fysieke inertie helpt het net te stabiliseren na verstoringen. Naarmate deze generatoren worden vervangen door op omvormers aangesloten wind- en zonne-energie, neemt dit stabiliserende effect af.
Hij uit ook zijn bezorgdheid over ontbrekende gegevens over netinertie en over de onafhankelijkheid van het onderzoek. Naar verluidt ontbrak het in juni gedurende een aantal dagen aan de gebruikelijke hoeveelheid gepubliceerde inertiegegevens. Turver stelt dat onderzoekers niet alleen moeten nagaan of de procedures zijn gevolgd, maar ook of de steeds meer op hernieuwbare energie gerichte structuur van het elektriciteitssysteem zelf nieuwe betrouwbaarheidsrisico’s met zich meebrengt.
Ook het debat over het klimaatbeleid zelf komt ter sprake. Turver verwerpt het idee dat verzet tegen ‘Net Zero’ noodzakelijkerwijs betekent dat men de bezorgdheid over klimaatverandering afwijst. Hij zegt te accepteren dat een hoger CO2-gehalte in de atmosfeer waarschijnlijk tot hogere temperaturen zal leiden, maar benadrukt dat ook andere factoren het klimaat beïnvloeden. Zijn voorkeursbeleid is adaptatie in plaats van pogingen om de Britse uitstoot te elimineren via steeds duurdere binnenlandse beleidsmaatregelen. “Ik stel al geruime tijd dat het ‘net zero’-beleid in feite een negatiever effect op ons heeft dan de klimaatverandering zelf.”
Turver voert aan dat Groot-Brittannië minder dan 1% van de wereldwijde territoriale uitstoot voor zijn rekening neemt, terwijl de uitstoot in grote opkomende economieën blijft stijgen. Groot-Brittannië zou daarom de economische kosten van ‘net zero’ moeten dragen zonder de wereldwijde ontwikkeling van de uitstoot te kunnen beïnvloeden. Aanpassing zou daarentegen voordelen opleveren, ongeacht hoe andere landen zich gedragen.
Hij stelt echter niet dat politiek rechts klimaatproblemen zomaar moet negeren. Turver zegt dat het recente debat binnen conservatieve kringen over klimaatverandering nuttig is geweest, omdat het verschillende standpunten aan het licht heeft gebracht. Scepticisme ten aanzien van ‘net zero’, benadrukt hij, mag niet automatisch worden gelijkgesteld met scepticisme ten aanzien van klimaatverandering. De belangrijkere vraag is welk alternatief beleid betrouwbare energie, economische groei en veerkracht kan opleveren tegen lagere kosten.
Kernenergie
Wat kernenergie betreft, is Turver aanzienlijk positiever. Hij beschouwt kernenergie als een voor de hand liggende kandidaat voor betrouwbare, koolstofarme basislastopwekking. Het probleem in Groot-Brittannië is niet per se de technologie zelf, maar de kosten en de bouwtijd. Overmatige regelgeving en hoge financieringskosten hebben Britse kernenergieprojecten veel duurder gemaakt dan projecten in landen als China en Zuid-Korea, waar de bouwtijd aanzienlijk korter kan zijn.
Zijn bredere kritiek is gericht op de manier waarop het energiebeleid wordt gestuurd. Groot-Brittannië heeft een groot aantal toezichthouders, adviesorganen en semi-overheidsorganisaties opgebouwd, elk met specifieke doelstellingen. Turver stelt dat er onvoldoende institutionele capaciteit is om die doelstellingen tegen elkaar af te wegen. Milieubescherming, emissiereductie, betaalbaarheid van energie, concurrentievermogen van de industrie en voorzieningszekerheid kunnen met elkaar in conflict komen, maar er is geen voldoende krachtig orgaan dat verantwoordelijk is voor het maken van de noodzakelijke afwegingen.
Volgens hem heeft dit geleid tot een steeds ingewikkelder wordend regelgevingssysteem dat de kosten opdrijft en het moeilijker maakt om verantwoording af te leggen.
Pessimistisch
Turvers beoordeling van de politieke vooruitzichten is navenant pessimistisch, hoewel hij wel mogelijkheden voor verandering ziet. Hij is zeer kritisch over het leiderschap van de regering op energiegebied en betwijfelt of het huidige beleid tot goedkopere elektriciteit zal leiden. Tegelijkertijd wijst hij op de groeiende bezorgdheid binnen de Labour-beweging over de hoge energieprijzen en de gevolgen daarvan voor de industrie en de werkgelegenheid. Hij suggereert dat politieke druk uiteindelijk een meer pragmatische aanpak zou kunnen afdwingen.
Uiteindelijk is Turvers recept eenvoudig: verminder overheidsingrijpen, schrap door beleid veroorzaakte verstoringen en laat de markt bepalen welke technologieën op economische wijze elektriciteit kunnen leveren. Dat betekent het afschaffen van CO2-belastingen en subsidies voor hernieuwbare energie, het laten dragen door producenten van de volledige kosten die zij het systeem opleggen, het vereenvoudigen van de elektriciteitsmarkt en het handhaven van voldoende inzetbare capaciteit.
Zijn conclusie is toch optimistisch. Als elektriciteit aanzienlijk goedkoper zou worden, zo betoogt hij, zouden de voordelen verder reiken dan de energierekeningen van huishoudens, namelijk tot industriële investeringen, economische groei en het vertrouwen van het bedrijfsleven. “Verlaag de CO2-belastingen, schaf subsidies voor hernieuwbare energie af en pak de kosten voor netintegratie aan.”
Voor Turver is de kernvraag daarom niet of Groot-Brittannië meer capaciteit voor hernieuwbare energie kan opbouwen. Het gaat erom of het een elektriciteitssysteem kan opbouwen dat betaalbaar, betrouwbaar en economisch duurzaam is. Zijn antwoord is dat het huidige beleidskader op dat punt tekortschiet – en dat een koerswijziging zou betekenen dat men de kosten en afwegingen onder ogen moet zien die opeenvolgende regeringen tot nu toe liever hebben verborgen of uitgesteld.
Wat u zojuist heeft gelezen, kon worden gepubliceerd dankzij onze donateurs.
Clintel publiceert dagelijks artikelen over klimaat, energie en wetenschap. Daarnaast vertalen wij internationale analyses in meerdere talen, maken wij video’s, publiceren wij rapporten en organiseren wij bijeenkomsten en lezingen.
Wij ontvangen geen overheidssubsidies en zijn volledig afhankelijk van de steun van onze donateurs. Dankzij uw bijdrage kunnen wij onafhankelijk onderzoek en een open debat over klimaat en energie blijven bevorderen.
Steunt u ons werk? Kies wat bij u past:
• Word Vriend van Clintel – vanaf €100 per jaar
• Word Trouwe Vriend van Clintel – via een fiscaal aantrekkelijke periodieke gift
• Doe een eenmalige donatie – iedere bijdrage helpt
Hartelijk dank voor uw steun.
meer nieuws
Hoeveel slapeloze burgers zijn meer windturbines waard?
Met de 2H-norm – een afstand van tweemaal de tiphoogte van een windturbine – kiest het kabinet voor de minimale variant die verdere bouw mogelijk houdt, zonder dat is aangetoond dat omwonenden daarmee afdoende worden beschermd. Intussen worden windparken afgeschakeld wegens stroomoverschotten en netcongestie. Waarom dan burgers blootstellen aan onbekende gezondheidsrisico’s om nog meer windturbines te kunnen bouwen?
Wat was de werkelijke oorzaak van de ramp in Nepal?
Iedereen heeft het over klimaatverandering, maar de daadwerkelijke oorzaken van de ramp in Nepal liggen elders, stelt Roger Pielke Jr. Blootstelling en kwetsbaarheid van mensen zijn bijna altijd de factoren waarop we op zeer korte termijn het meest effectief invloed kunnen uitoefenen.
Nederland betaalt aan de klimaattransitie; Brussel herverdeelt de miljarden
Nederlanders betalen op steeds meer manieren voor energiegebruik en CO2-uitstoot. Soms is die rekening zichtbaar, zoals bij de energiebelasting; andere kosten zitten verwerkt in de prijs van producten en diensten. Tegelijkertijd wordt een deel van de opbrengsten van het klimaatbeleid herverdeeld naar zwakkere EU-landen. Daniël de Liever legt uit hoe dat systeem werkt.






