Warmere lentes: CO2 of zonlicht?

In De Bilt is de instraling van de zon tussen 1989 en 2025 gestegen met ~18 W/m2. Daarmee vergeleken is het opwarmingseffect van het stijgende CO2-gehalte in dezelfde periode verwaarloosbaar klein (~1 W/m2). De opwarming van Nederland en grote delen van Europa is vrijwel geheel het gevolg van de sterk toegenomen instraling van zonlicht sinds eind jaren ’80, schrijft Rob de Vos.

Warmere lentes: komt de opwarming door zonlicht?

De instraling van de zon is in Nederland sterker geworden; hier het strand bij Egmond. (bron: Shutterstock)

Rob de Vos
Datum: 14 juni 2026

DEEL:

Het KNMI gaf onlangs een overzicht van de weerdata van de afgelopen lente (maart t/m mei 2026). Die data werden vergeleken met de langjarige gemiddelden van 1991 t/m 2020. Samengevat was de lente van 2026 relatief warm en droog en was het over het land gemiddeld met 728 uren zon zeer zonnig (het langjarig gemiddelde is 567 uur).

Fig.1   Data: KNMI

De grafieken in figuur 1 geven van station De Bilt de gemiddelde lentetemperaturen per jaar van 1901 t/m 2026. De grafieken zijn gebaseerd op de daggegevens Tg (gemiddelde etmaaltemperatuur), Tn ( minimum etmaaltemperatuur) en Tx (maximum etmaaltemperatuur).

Kijken we alleen naar de data van 2026 dan valt op dat Tx opvallend hoog was en Tn beduidend lager. Dat wijst op relatief veel wolkenarme dagen waardoor de nachtelijke afkoeling door uitstraling groot was (lagere Tn), maar de opwarming overdag (Tx) groot. Veel wolkenarme dagen verklaren ook de grote hoeveelheid zonuren en de relatief lage neerslagcijfers in de lente van 2026.

Shift

Wat opvalt in figuur 1is dat rond 1988-1989 de datareeksen een opvallende sprong maken. Die sprong of ‘shift’ is met een grijze balk aangegeven. Het groene signaal in figuur 1 is de gemiddelde lentetemperatuur van 1901 t/m 2026. Die sprong in 1988-1989 is opvallend groot, ongeveer 1,3  °C.

Fig.2   Data: KNMI

In figuur 2  is de gemiddelde jaartemperatuur Tg van De Bilt van 1901-2025 weergegeven. Ook hier is de shift van 1988-1989 duidelijk zichtbaar maar de sprong van 1988-1989 is minder uitgesproken dan in de lente: de sprong in de jaargegevens is ~ 0,57 graden. Verder zijn voor de periodes voor en na de shift de lineaire trendlijnen weergegeven. Behalve de temperatuursprong valt op dat de trend in het laatste deel van de grafiek (0,344 °C/dec.) ruim 5x groter is dan in het eerste deel (0,067 °C/dec.).  Er is dus duidelijk sprake van een plotselinge klimaatverandering , een shift, eind jaren ’80, die tot op de dag van vandaag voortduurt.

De zon

Fig.3   Data: KNMI

De grafiek van figuur 3 geeft een goede verklaring voor de temperatuurshift rond 1988-1989:  vanaf 1989 is het aantal zonuren per jaar opvallend hoger dan ervoor en stijgendVanaf 1989 is in De Bilt het aantal zonuren per jaar zelfs met meer dan 25% toegenomen.

Fig.4   Data: KNMI

Terwijl de instraling (Q) van 1958 t/m 1988 nauwelijks veranderde, steeg die vanaf 1989 tot 2025 spectaculair. Deze extra zonnestraling aan het aardoppervlak valt logischerwijs samen met de sterke stijging van het aantal zonuren in dezelfde periode. De correlatie tussen het aantal zonuren (SQ) en de gemeten instraling (Q) is extreem hoog met R² = 0,9. Dat betekent dat 90 procent van de variatie van de instraling verklaard kan worden door veranderingen in het aantal zonuren.

Bewolking en aerosolen

Fig.5   Bron: RIVM

Een deel van de verklaring van de sterke stijging van de instraling ligt bij de opvallende afname sinds 1980 van aerosolen, met name sulfaatdeeltjes afkomstig van zwaveldioxide (SO₂) uit industrie, energiecentrales en verkeer (figuur 5). Door schonere lucht sinds de jaren tachtig daalden de SO₂-concentraties in Nederland dramatisch met een factor 30 tot 60. Dat heeft met name in de jaren ’80 bijgedragen tot de stijging van de zoninstraling.

Veel belangrijker voor de instraling tot 2025 is echter de afname van bewolking. Satellietmetingen van het CERES-systeem laten voor het gebied rond De Bilt een duidelijke daling van de wolkbedekking zien sinds 2000, met een lineaire trend van ongeveer -3,1 procent. Dit vertaalt zich in minder reflectie van kortgolvige zonnestraling terug de ruimte in en meer opwarming van het aardoppervlak.

Fig.6   Bron: ECMWF rapport 2024

De toename van zonuren vanaf eind jaren ’80 bleef niet beperkt tot Nederland, maar was zichtbaar in grote delen van Europa. Figuur 6 laat zien dat vanaf eind jaren ’80 het percentage zonuren in Europa flink gestegen is. Dat vertaalde zich in grote delen van Europa tot opvallende temperatuurstijgingen vanaf eind jaren ’80.

Marsz et al ( 2022) onderzochten de oorzaken en gevolgen van de klimaatshift eind jaren ’80 en constateerden dat die shift terug te vinden is in de temperatuurdata van groete delen van Europa, van ZW Frankrijk tot in Europees Rusland:

Fig. 7   Bron: Marsz et al (2022)

De temperatuurstijging die begon eind jaren ’80 boven grote delen van Europa heeft zich t/m 2025 versterkt doorgezet. De sterke stijging van het aantal zonuren in dezelfde periode wijst erop dat de achterliggende oorzaak van de opwarming het gevolg is van afnemende bewolking. Algemeen wordt aangenomen dat de afname van de bewolking het gevolg is van veranderingen in de grootschalige atmosferische circulatiepatronenmaar is dat aantoonbaar?

Wind

Fig.8   Data: KNMI daggegevens

Figuur 8 laat de windpatronen in het zomerhalfjaar van De Bilt zien in aantal dagen per vectorgemiddelde windrichting per graad.  Vergeleken worden de periodes 1961-1990 en 1991-2020. Te zien is dat de overheersende ZW windrichting in de periode 1991-2020 een wat meer zuidelijke component krijgt vergeleken met de periode 1961-1990. Je zou daar uit kunnen afleiden dat er vanaf 1991 iets warmere luchtmassa’s binnenstromen, maar die constatering is vooral kwalitatief van aard.

Informatiever is om niet alleen te kijken naar de windrichting, maar met name naar het brongebied van de luchtmassa’s die binnenstromen en de stromingstrajecten die die luchtmassa’s afleggen vanaf het brongebied naar Europa. Zowel het brongebied als het traject bepalen namelijk in sterke mate de eigenschappen (temperatuur, luchtvochtigheid, bewolking et cetera) van de luchtmassa op het moment dat die ons land binnenkomt.

Fig.9   Bron: KNMI

Een voorbeeld. De weerkaart van 13 maart 2026 (figuur 9) toont een sterk lagedrukgebied nabij IJsland. Gemeten wordt die dag een gemiddelde windrichting in De Bilt van 197 graden (ZZW, groene pijl). Het brongebied van de binnenstromende lucht ligt echter niet boven Spanje maar ten Z van Groenland. De luchtmassa stroomt namelijk vanuit het brongebied via de isobaren naar ons land. De temperatuur Tn van dat etmaal is laag met 5,4 graden, begrijpelijk als je de ligging van het brongebied en het ‘aanvliegtraject’ in ogenschouw neemt.

De wetenschap die klimaat bestudeert vanuit grootschalige atmosferische circulatiepatronen zoals in bovenstaand voorbeeld wordt de synoptische klimatologie genoemd. Het legt directe verbanden tussen lokale weersverschijnselen en de verplaatsing van grote systemen zoals hoge- en lagedrukgebieden, straalstromen en fronten. Dat kan mogelijk een antwoord geven op de vraag wat er in 1988-1989 gebeurd is in Europa dat geleid heeft tot de shift.

Grosswetterlagen

In 1891 begon de Duitse weerdienst met het registreren van luchtcirculatiepatronen boven Europa. Bovenstaande tabel is afkomstig van een rapport van het Potsdam Institute Climate Impact Research (PIK) dat de classificatie van luchtcirculatietypen beschrijft. Die circulatiepatronen vormt de basis van de classificatie  die de Deutsche Wetter Dienst (DWD) vanaf het eind van de 19e eeuw hanteert. De luchtcirculatie boven NW Europa wordt dan ingedeeld op basis van 29 zogenaamde Grosswetterlagen (GWL). Grosswetterlagen zijn een bron van nuttige informatie over luchtcirculatie(-veranderingen) in de loop van de tijd. Ik heb daar in het verleden al vaker aandacht aan besteed, zie onder andere hier.

Fig.10   Bron: Pik Report No 119

DWD vat de 29 geïdentificeerde Grosswetterlagen (GWL) samen in een achttal Grosswettertypen en drie Zirkulationsformen. Die laatste zijn zonaal (west-oost gericht), meridionaal (noord-zuid of zuid-noord gericht) en mengvormen van die twee. Er is sprake van een zonaal circulatietype wanneer er een min of meer gelijkmatige west-oostelijke stroming bestaat tussen een subtropisch hogedrukgebied boven de Noord-Atlantische Oceaan en een subpolair lagedrukgebied. Stationaire, blokkerende hogedrukgebieden tussen 50 en 65 graden NB zijn kenmerkend voor het meridionale circulatietype, alsmede alle troggen met een noord-zuid as. De lucht beweegt dan van N naar Z of andersom.  Bij het gemengde circulatietype zijn de zonale en meridionale stromingscomponenten ongeveer even groot.

Om een en ander overzichtelijk te houden gebruik ik alleen indeling in de drie circulatietypen en bekijk de ontwikkeling daarvan in de loop der jaren voor elk van de seizoenen. Omdat de signalen nogal volatiel zijn heb ik ze ‘gesmoothed’ met een loess filter om langjarige trends goed te kunnen zien.

Fig.11    Data: DWD

Figuur 11 laat voor de lente zien dat de laatste decennia de meridionale luchtcirculatie sterk gestegen is ten koste van met name de gemengde luchtcirculatie. In de praktijk betekent dat meer dagen met warme lucht uit het zuiden. De meridionale aanvoer van lucht uit het N blijft gelijk. De zonale circulatie blijft min of meer stabiel.

Fig.12    Data: DWD

De zomer laat in de afgelopen halve eeuw een toename zien van het meridionale circulatietype ten koste van beide andere types. Dat betekende vooral meer dagen met aanvoer van warme lucht vanuit het Z. De zonale (westelijke) circulatie nam ’s zomers vanaf 1950 geleidelijk af.

De hierboven beschreven Grosswetterlagen van DWD  is een ouder, traditioneel gegroeide indeling die de atmosfeer onderverdeelt in een beperkt aantal dominante luchtmassasituaties op basis van luchtdruk en richting van stroming. De nadruk ligt op historische interpretatie en de classificatie is daardoor beschrijvend van aard. Voor het beschrijven van langjarige trends is het systeem prima geschikt, ook omdat de data al in de 19e eeuw beginnen en de tijdreeksen dus lang zijn.  De grafieken van figuur 11 en 12 laten zien dat de afgelopen decennia grote verschuivingen in de circulatietypen hebben plaatsgevonden.

COST733

De GWL van DWD was niet de enige classificatie methode die in Europa gebruikt werd In 2006 werd een inventarisatie gehouden en werden 23 afzonderlijke methodes geïdentificeerd: 5 subjectieve (waaronder de GWL) en 18 geautomatiseerde. Met de alsmaar toenemende weerdata en voortschrijdende automatisering werd de roep om een gemoderniseerd algemeen toepasbaar luchtcirculatiesysteem voor Europa steeds groter.  Dat mondde tenslotte uit in COST733: een moderne, grootschalige, data-gedreven classificatie van synoptische situaties in Europa.

Fig.13   Bron: Sfîcă et al (2020)

Het is niet verwonderlijk dat dit nieuwe systeem al snel werd ingezet om het ‘raadsel’ van de klimaatshift van eind jaren ’80 te ontrafelen. Dat gebeurde door Sfîcă et al. in 2021 met een paper getiteld “Cloud cover changes driven by atmospheric circulation in Europe during the last decades”. Dit onderzoek had als doel de reactie van wolkendekking op veranderingen in de atmosferische circulatie gedurende de periode 1981–2014 te analyseren. Daarvoor werd gebruikgemaakt van geautomatiseerde classificatie van 27 weertypen, zie figuur 13.

Er werden door Sfîcă et al een paar belangrijke ruimtelijke veranderingen in de bewolking boven Europa vastgesteld die verband houden met veranderingen in de atmosferische circulatie. Die veranderingen hangen samen met een noordwaartse verschuiving van de westelijke luchtstroming. Gevolg is een afname van de bewolking boven het binnenland van Europa. Deze afname houdt verband met een toename van circulatietypen die gepaard gaan met de ontwikkeling van hogedrukgebieden boven het centrale en noordelijke deel van het continent. Dat is conform de conclusie dat de afgelopen decennia de meridionale circulatietypen toegenomen zijn.

Warmere lentes: CO2 of zonlicht?

Fig.14   Data: KNMI

Het is al meerdere malen gesteld: de opwarming van grote delen van Europa sinds 1989 is opvallend groot. De grafiek van de instraling Q in De Bilt spreekt boekdelen. Zoals we in figuur 14 kunnen zien leverde in De Bilt de sterke opwaartse trend van de instraling Q van 1989 t/m 2025 een toename van de straling op van maar liefst 18 W/m2. Dat is een toename van de instraling met ruim 16% !

Vergelijken we dat eens met de opwarming in dezelfde periode als gevolg van de toename van het atmosferische CO2. Verdubbeling van CO2 veroorzaakt volgens het IPCC een stralingsforcering (stralingstoename) van 3,7 W/m2 . Recente gedetailleerde radiative transfer calculaties kwamen tot een vergelijkbare schatting. (Myhre et al 2017).

Fig.15    Naar: Myhre et al 2017

De grafiek van figuur 15 geeft het verband weer van de toename van de atmosferische CO2 concentratie in ppm en de stralingstoename (radiative forcing) in W/m2. In rood is de periode 1989-2025 aangegeven. In die periode steeg het atmosferisch CO2-gehalte op Mauna Loa van 353,2 ppm in 1989 naar 427,4 ppm in 2025, een stijging met 74,2 ppm (bron: NOAA).

De grafiek laat zien dat die stijging van het CO2-gehalte van 1989 t/m 2025 een extra radiative forcing teweeg bracht van ~1 W/m2. Vergelijk dat eens met de extra radiative forcing van de toegenomen instraling door de zon in De Bilt in de periode 1989-2022 met ~18 W/m2. Het aandeel van CO2 in de opwarming van De Bilt is vrijwel verwaarloosbaar vergeleken met dat van de extra instraling door de zon.

Conclusies

De concentratie CO2 in de atmosfeer is van 1989 t/m 2025 toegenomen van ~353 ppm in 1989 tot ~427 ppm in 2025. Die toename met 74 ppm CO2 in die periode zorgde voor een radiative forcing van ~1 W/m2. Tegelijk steeg in De Bilt in dezelfde periode de instraling van de zon van  ~108 W/m2 in 1989 naar ~126 W/m2 in 2025, een stijging met maar liefst ~18 W/m2. De Bilt was niet uniek: in grote delen van Centraal en West Europa zijn in dezelfde periode sterk verhoogde instralingsdata van de zon gemeten. Daarmee vergeleken is het opwarmingseffect van het stijgend CO2 gehalte verwaarloosbaar klein.

De opwarming van Nederland en grote delen van Europa gedurende de afgelopen decennia is vrijwel geheel het gevolg van de sterk toegenomen instraling van zonlicht sinds eind jaren ’80, vooral als  gevolg van afname van bewolking. Onderzoek heeft uitgewezen dat die afname van bewolking het gevolg is van een verandering in de luchtcirculatie door een toename van blokkerende hogedrukgebieden boven Europa.

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd op klimaatgek.nl op 11 juni 2026.

Rob de Vos

Rob de Vos is een onafhankelijke klimaatonderzoeker die schrijft op onder andere de website www.klimaatgek.nl  waar hij redacteur van is.  Als docent aardrijkskunde begon hij zich te storen aan de matige kwaliteit van de aangeboden leerstof  over klimaat op  de bovenbouw HAVO en VWO. Die ergernis mondde uiteindelijk uit in het opzetten van de website www.klimaatgek.nl, die in eerste instantie bedoeld was ter ondersteuning van zijn examenkandidaten. In een later stadium is dat uitgegroeid tot een meer algemene klimaatsite.

Hij was samen met Marcel Crok auteur van het kritische rapport (2018) over de KNMI-scenario’s  en schreef mee aan het rapport ‘Het Raadsel van de Verdwenen Hittegolven’ (2019). Hij was co-auteur van een drietal wetenschappelijke publicaties, namelijk over de temperatuurhomogenisatie van De Bilt (2021), de homogenisatie van de Europese temperatuurdata (GHCN) (2022) en recentelijk over de zeespiegelstijging (2025).

DEEL DIT ARTIKEL:


Climate Intelligence Clintel

meer nieuws

Met Office blaast metingen maximumtemperatuur in het VK op

Het onderstaande artikel van Chris Morrison laat overtuigend zien dat de betrouwbaarheid van temperatuurmetingen in het Verenigd Koninkrijk ernstig te wensen overlaat. Op basis van gedetailleerd onderzoek toont dr. Eric Huxter aan dat een groot deel van de gemeten temperatuurpieken niet het gevolg is van natuurlijke variatie, maar van onnatuurlijke invloeden op slecht geplaatste meetstations. Dit werpt fundamentele vragen op over de kwaliteit van de onderliggende data die worden gebruikt voor klimaatrapportages en beleidskeuzes.

5 april 2026|Categories: Nieuws|Tags: , , , , |

De bittere les van de Straat van Hormuz voor de Europese Unie

In mei 2023 verklaarde Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, dat het op fossiele brandstoffen gebaseerde groeimodel ‘simpelweg achterhaald’ is. De gedeeltelijke blokkade van de Straat van Hormuz legt de ironie van die uitspraak op schrijnende wijze bloot, aldus Samuel Furfari.

By |2026-06-14T17:39:06+02:0014 juni 2026|Reacties uitgeschakeld voor Warmere lentes: CO2 of zonlicht?
Go to Top